GSD-3 (debranching enzym)Symptomen

De meeste patiënten komen bij de dokter tussen de zes maanden en anderhalf jaar. Ze hebben dan een dikke buik door een sterk vergrote lever. Soms valt de dikke buik al direct na de geboorte op. Soms is een te lage bloedsuiker (hypoglykemie) de eerste klacht. Het kind is dan suf of zwak.

Een duidelijk verschil met GSD-1 is dat de nieren bij GSD-3 niet vergroot zijn. De lever van kinderen met GSD-3 wordt tussen het achtste en twaalfde jaar geleidelijk kleiner. Tijdens of na de puberteit verdwijnt de vergrote lever bij de meeste patiënten. De groei verloopt meestal normaal of een beetje vertraagd.

Patiënten hebben minder vaak last van lage bloedsuikers dan bij GSD-1. Dat geldt vooral voor jonge kinderen. Vroeger leidde dat bij onbehandelde patiënten soms tot een coma. Daardoor konden de hersenen beschadigd raken en kreeg het kind een achterstand in de ontwikkeling.

Na een korte pauze in het eten kan het bloed van GSD-3-patiënten een beetje verzuren. Ook kunnen ze een verhoogd cholesterol hebben. Dat is meestal niet ernstig. Het cholesterol gaat omlaag als de patiënten ouder worden.

Bij GSD-3a stapelt glycogeen op in zowel de lever als de spieren. Patiënten kunnen daarom ook spierklachten krijgen. Zoals zwakke spieren of klachten van spierafbraak. Ook de zenuwcellen en de hartspier kunnen aangedaan zijn.

Er zijn dus twee vormen van GSD-3:

  • GSD-3a: dit is de meest voorkomende vorm. Het enzym werkt niet goed in de lever, de skeletspieren, de hartspier en soms in zenuwweefsel. Daardoor zijn er afwijkingen in de lever en in de spieren. Niet alle patiënten hebben ook klachten in het hart en de zenuwbanen.
  • GSD-3b: alleen de lever is aangedaan. Er zijn geen andere afwijkingen.

GSD-3a komt het meest voor: ongeveer 85% van de patiënten heeft deze vorm. Hoe erg de spieren zijn aangedaan, verschilt per patiënt. Bij sommige patiënten verbeteren de spierkracht en de spierspanning naarmate ze ouder worden. Wel kan de botmassa minder goed zijn. Dat komt onder andere door de zwakke spieren. Daardoor hebben patiënten meer kans op botbreuken. Met goede voeding en eventueel extra calcium en vitamine D kan de botopbouw verbeteren.