De professor van Baby C

[post_list name=”Alle Bloggers”][post_list name=”Header Hugo Luijten”]

Toen duidelijk werd dat Baby C meer mankeerde dan de eigenaardige gewoonte om van zijn eigen vruchtwater te drinken, fluisterde men voor het eerst de naam van professor E. Toen voor de zoveelste keer twee pediaters aan het bedje van ons manneke stonden, hoorde ik hen zachtjes overleggen:

'Anders E. eens bellen?'
'François? Bon, kwaad kan het niet hè?'
'Pfff, nog een klantje.. daar zal ‘ie op zitten wachten…'
'Ja, maar zo kan het ook niet doorgaan. Veerle?! Bel professor E., schakel 'm maar meteen door. Wat? Ja natuurlijk is het dringend, het is hier altijd dringend, hier al eens iets meegemaakt dat niet dringend is?'

De laatste zin sprak ze uit, terwijl ze naar haar kantoor beende. Moordwijf, dr. VDB. Het gesprek tussen die twee ging volkomen langs ons heen. Als we twee coniferen waren geweest, had dezelfde conversatie kunnen plaatsvinden. Hooguit hadden ze dan hun bekertje koude koffie nog tussen onze takken kunnen smijten. Niettemin kon ik uit dit mini-overleg enkele zaken opmaken.

Ten eerste was professor E. kennelijk een drukbezet man. Of zat hij al weken peinzend aan het ziekbed van een of ander zeldzaam geval? Hoewel dat laatste blijkens het overleg tussen de twee pediaters niet waar kon zijn. Professor E. had eerder veel te veel "klantjes". Ik kon alleen maar hopen dat hij niet bokkig werd, dat hij aan de telefoon zou zeggen: ‘ja doei!’ Wanneer moet ik die dan nog doen, Eerste Kerstdag?!'

Verder moest professor E. een heel bijzonder specialisme in huis hebben. Wat zou hij doen? Iets met 'magische zouten van dr. Kneipp'? Merkwaardig gevormde instrumenten, die als tentakels uit zijn veiligheidspak staken, gasmasker, perslucht, afdeling ontruimd? Op deze vraag kwam snel duidelijkheid. Hij was professor in de metabole aandoeningen. Zelfs de verpleegsters en de pediaters kregen hem niet te zien, maar die waren dat klaarblijkelijk gewend. Ik kreeg bij al het telefonisch overleg eerder het gevoel van een schriftelijke cursus parachutespringen. Het enige dat hij opgestuurd kreeg, waren stalen urine. Liters hebben ze Baby C telefonisch laten pissen. Wij noemden professor E. "onze piskijker". Ik stelde mij al voor hoe hij zuchtend, met een oog toegeknepen, tegen de zon in een kolf ochtendurine tuurde. Om dan de telefoon te pakken en "laatemnogmaareenspissen" te grommen. Hoe zou hij er trouwens uit zien? Hoe dan ook moest hij een grote krulsnor hebben. Smetteloos witte jas. Klassieke schoenen die licht kraken bij elke zorgvuldige stap.

Of zou het tegenovergesteld zijn? Voortdurend kauwen op de pootjes van een smerig brilletje? Jaszakken vol rommel: losse briefjes (E=MC2 hydorchloortiazide brrbrrkwspl), twee stethoscopen (een op toilet laten liggen en week later toch weer teruggevonden bij de patholoog anatoom), klein Zwitsers zakmes (voor het appeltje tussen de middag), diverse losse balpennen (waarom lekken alleen de rode altijd?) en een knikker die hij van zijn zoontje had gekregen.

Dr. J. legde ons uit wat professor E. haar had uitgelegd. Zoals dat spelletje waarbij iemand iets in je oor fluistert en jij dat in de kring moet doorfluisteren. Baby C had een stofwisselingsziekte, zoveel was zeker. Maar welke, dat wist zelfs professor E. niet. Nog niet. Ze hadden een paar dingen geprobeerd en bij een ding had Baby C bijna het leven gelaten. Maar nu was er iets dat leek aan te slaan. Gevolgen op lange termijn? Dat ons niet veel goeds boven het hoofd hing was wel duidelijk. Eerder door wat ze niet zei, dan door wat ze wel zei. Het woord 'sondevoeding' is toen voor het eerst gevallen. Ik heb een nacht niet geslapen toen ik geheel tegen alle adviezen in toch op internet ben gaan surfen. Een slangetje in de neus, dat is sondevoeding. En altijd met een paar droevige kinderogen boven zo'n slangetje. Zelfs ik wist geen vloek meer te bedenken. De zachtmoedige dr. J. al helemaal niet.

Maar! Hij, De Professor, zou morgen naar de afdeling komen. Ik verwachtte lampions, personeelsorkest, toespraak van de geneesheer-directeur. En receptie achteraf. En daar kwam hij. Hij had wel een snor, maar daar hield elke overeenkomst met mijn karikatuur-professoren op. Beschaafde, bijna verlegen man. Schuchtere glimlach. Onopvallend in heel zijn wezen. Als ik hem in de lift was tegengekomen, zou ik zomaar kunnen denken dat hij boekhouder was.

Hij leek vier dingen tegelijk te denken. Als hij in een stripverhaal zou fungeren, dan zouden de randen van zijn tekstballonnen uit formules bestaan. Bij elke vraag hoorde je zijn computer bijna zoemen. Hij heeft zelf ook kinderen. Als professor E. zijn consult onderbrak om even met zijn jongste te brabbelen, voelde ik me niet meer zo alleen in dit aardse tranendal. Kort en goed: topgast. En dat vindt Baby C ook. Het is de enige dokter tot nog toe, waarbij hij onbevangen op schoot kroop en hartstochtelijk begon te kwijlen.  

Beschouw dat maar als een compliment, professor. 

Reacties zijn gesloten.