De papa van Baby C

[post_list name=”Alle Bloggers”][post_list name=”Header Hugo Luijten]

Als ik geweten had van de gedegen zorg op een neonatale afdeling van een universitair ziekenhuis, zou dat dan troost gebracht hebben? Ik weet het niet. Ik voelde me in elk geval van alles en iedereen verlaten toen Baby C in vliegende vaart van het regionale hospitaal naar een academische kliniek werd vervoerd. Ik kon er in ons tweedehandsje achteraan kachelen en verloor ze al na het tweede stoplicht uit het oog. Goed bezig, Luijten!

Gestopt bij een tankstation en sigaretten en zakdoekjes gekocht.
'Moet het in een zakje?' 
'Nee dank u, ik drink het hier wel op.' 

Een mens doet de gekste dingen in tijden van nood. 

Ondanks dat ik het afdelingsnummer en de route haastig ergens opgekriebeld had, wist ik in het ziekenhuis niet waar naartoe. De route. In een ziekenhuis. Het moet niet gekker meer worden. 
Ik koop twee knuffels in het winkeltje in de hal, met de tranen in mijn ogen. Voordat ze iets wilde zeggen, begreep de verkoopster al dat ze beter kon zwijgen. Als ze geen huilende vent aan de kassa wilde hebben. Ik stopte een knuffel onder mijn hemd, op mijn blote borst. De geur zou mijn ventje tijdens mijn afwezigheid gerust moeten stellen, zo had ik maanden geleden ergens gelezen. 

Een mens leest de gekste dingen als er geen tijd van nood is.

Eindelijk op de afdeling. Luchtsluis, garderobe, lockers. Handleiding om handen en onderarmen te wassen en het advies om jassen en vesten uit te laten wegens de warmte. Quatsch. "Wat goed is tegen de kou, is ook goed tegen de warmte", zei mijn grootmoeder altijd. Jasje blijft aan, een minimum aan decorum en waardigheid. Hier was het trouwens eerder kil te noemen. Ziekenhuishumor van een conciërge die zich de hele dag zit te vervelen. Gelukkig zijn er geen andere ouders in het kleine vertrek. Ik zou in staat zijn ze meteen in elkaar te schoppen. Alleen al de gedachte dat die de aandacht van de dokters van mijn manneke zouden kunnen afleiden, is teveel. 
Bon diep ademhalen en naar binnen dan maar. Door de klapdeuren kletst een vochtig broeierige warmte mij vol in het gezicht. Shit. Nog voor ik het bed met mama Baby C heb gespot, drupt het zweet al langs mijn bril.
'Waar zat je toch schat?'
'Ik ben er nu. Mag ik hier ergens mijn jasje neerleggen?'
Voor ik antwoord krijg, leg ik mijn decorum af op haar bed. Ik kan de volgende keer beter in zwembroek komen. De volgende keer… krist ja, we zijn hier voor hem. Uit zijn neus steekt een slangetje, op zijn hand plakkertjes met een groene en een rode draad eraan. Slangetje is zuurstof, draad is hartslag. Op de monitor kunnen we de saturatie volgen. Die is nu goed, dankzij de zuurstof.
Saturatie. Klinkt als iets uit Tolkien. Van “In de Ban van de Ring”.  Waar is de ring die mijn kleine mensje moet genezen? Voorlopig heb ik mijn eigen trouwring niet eens om. Vergeten in de personeelsdouche van het andere ziekenhuis waar ik provisorisch mocht douchen.

Douchen. Een mens heeft de gekste behoeftes als hij niet weet in welke tijd van nood hij zit.

Mijn makkertje ligt te slapen en heeft een gebreid mutsje op tegen de kou. Het houdt niet op, die ziekenhuishumor. Onder het mutsje de dichte, bolle oogjes van een pasgeborene. Net als een puppy, maar dan in een glazen bedje. Geen couveuse goddank, het is van boven gewoon open. Het lijkt op een glazen kistje. 

Life is a bitch, and then you die.

Reacties zijn gesloten.