De mama van Baby C

[post_list name=”Alle Bloggers”][post_list name=”Header Hugo Luijten”]

Voor mama Baby C was de geboorte een regelrecht trauma. Tot aan de weet-ik-hoeveelste laatste week was er geen vuiltje aan de lucht. Daarna barstte het onheil los.
Ik vond het al heel erg voor haar dat ik Baby C meteen na de geboorte van haar moest wegnemen, omdat de ritssluiting van haar keizersnee gehecht moest worden. Dat duurde twee hele uren, waarin ze niets wist van de ramp die zich inmiddels aan het voltrekken was. 
Ik heb de neonatologe gesmeekt om te wachten met het vervoeren van Baby C naar het universitair ziekenhuis, tot zijn mama uit de operatiekamer was. Ze stonden al op de gang met 'm toen zij in een ziekenhuisbed dezelfde gang op werd gedraaid. Met de blik van een gewond dier dat onmachtig is haar jong te beschermen, hoorde ze het verhaal van de dokters aan. In haar ogen ging de wereld ten onder in een inktzwarte stroom van gedachten. In mijn herinnering schreeuwde ze hem nog na toen ze in de lift verdwenen. 'Neeeee!'. Maar het is een sterke vrouw, dus het zal mijn verbeelding zijn.
 
Ik weet niet meer waarom we niet meteen mee konden. Feit was dat Baby C vervolgens op de neonatale afdeling lag, en wij apart in de kraamvleugel van het ziekenhuis. Elke dag uren bij hem gezeten, hem bij ons gepakt, hem gewikkeld in liefde. Maar wel van ons gescheiden door twee gangen en een luchtsluis. Affectie op afstand. Pendelhechting.
In het naburige kinderziekenhuis waar Baby C later werd opgenomen, hebben we nog eens anderhalve maand gebivakkeerd. Op die afdeling fladderden ouders en kinderen naar omstandigheden vrolijk door elkaar. Behalve Jeffrey. Die fladderde alleen rond.
Jeffrey was een jaar of vier en had sikkelcelanemie. Een zeldzame aandoening in de bloedcellen die veel bij zwarte kindjes voorkomt, waarbij lichaamsdelen een voor een afsterven en amputatie de enige mogelijkheid is. Ik noem mij al twintig jaar atheïst, maar heb mij voor zover ik me kan herinneren bij Jeffrey pas voor het eerst serieus afgevraagd of er een god bestaat. En welke gek dan in zo'n god gelooft. Toen wij er waren had hij nog één handje over. Een beentje was tot de knie geamputeerd, een arm tot aan zijn elleboog. Hij leek er geen last van te hebben en kroop zelfs op een driewieler om die met zijn stompjes voort te stoempen.
Zijn moeder was er zelden. Ze woonde in Brussel en kon niet naar het ziekenhuis komen. Behalve die keer dat Jeffrey de zoveelste crisis moest meemaken. Hij brulde twee dagen en nachten de halve afdeling bij elkaar en zij hield hem vast en neuriede een Afrikaans liedje. Uren aan een stuk.
 
Ik vervloekte mijzelf om de oordelen die ik over haar had gehad. Wat wist ik van die vrouw, onder welke omstandigheden moest zij leven, met welke afgrijselijke vragen zou zij proberen de slaap te vatten? Welke boerenlul ben ik om te oordelen over moederliefde en hechting, door mij ook alleen maar bewerkstelligd door met mijn grote bek naar een radioprogramma te bellen?
In het kinderziekenhuis zijn er geen oordelen, alleen kindjes, verpleegsters en moeders. Zelfs de dokters zijn passanten. Handelaars in hoop. De papa's worden geduld. Ze faciliteren, assembleren magnetronvoedsel, vragen een propere pamper. Ze mogen het hok van de leeuwin met haar jong bewaken. En hoeveel ze zelf ook van het jong houden, hem bij elke knuffel bijna fijnknijpen, bij de oerliefde van mama komen papa's niet eens in de buurt.
 
Hadden ze maar mama moeten worden. Sukkels.

Reacties zijn gesloten.