Baby C wordt mobiel

[post_list name=”Alle Bloggers”][post_list name=”Header Hugo Luijten”]

Een tijdje geleden kreeg Baby C. een automobiel van een van zijn suikernonkels*. Hij heeft er twee en die bieden geheel onbewust tegen elkaar op. Niet met cadeau’s om hem te verwennen. Dat zou overigens ook nog goed kunnen, maar ik denk dat het gaat om het aanleveren van speelgoed dat het meeste herrie maakt.

Zo ook dit automobiel. Want natuurlijk doet het automobiel ‘heng-heng-heng’ en speelt dan een vrolijk wijsje. Tot vervelens toe en loeihard. Dank, suikernonkel, dank…

In plaats van trappers – zoals bij een skelter of go-car – moet Baby C. hier zelf trappelen om vooruit te komen. Voor klein ventekes als Baby C. die nog niet niet kunnen stappen, is het een zegen. Je begrijpt ook meteen waarom de mensheid zo gehecht is aan de auto: een garantie op mobiliteit. En net als de mensheid komt Baby C. nu op plekken waar hij normaal niet kan komen. Of hij geraakt er sneller. Of gewoon lekkerder.

Wij lazen al links en rechts dat dit soort wagentjes niet zo goed zijn voor de ontwikkeling van het bekken. Omdat we een gebrekkige ontwikkeling daarvan niet ook nog op ons geweten willen hebben – zijn defecte stofwisselingsgenen zijn per slot van rekening al onze schuld – zetten we hem er alleen ’s morgens vroeg in. Dan kunnen we allemaal ongestoord onze gang gaan. Hij met zijn autootje, wij met de tralala rond zijn sondevoeding.

Bijkomend voordeel is dat je de bijzondere interesses van je kleine kunt waarnemen, maar dat hij nog geen kwaad kan uitrichten. De brede constructie van het autootje zorgt er namelijk voor dat hij niet daadwerkelijk antiek glaswerk aan zijn schervenverzameling kan toevoegen, de fles met rioolontstopper kan aflebberen of een kommetje eiersalade achter de verwarming kan verstoppen. Hij kan er domweg niet bij. Maar je weet wel: ‘ah, hier moet een kinderslotje op en dat toch maar een schap hoger zetten’. Handig dus, zo’n karretje.

Zojuist stuurde hij zijn autootje richting een stapel tijdschriften. Die stapel was ooit begonnen als ‘een paar goede tijdschriften’. Ze lagen zo achteloos mogelijk in een authentieke mand van een reeds voor de oorlog failliet gegane handelaar in graan en zaden. De ‘paar goede tijdschriften’ waren gegroeid. Ze hadden gezelschap gekregen van enkele foute roddelbladen, wat Zweedse puzzels, een tweetal spuuglelijke kalenders van een Chinees restaurant en een hele reeks exemplaren van het maandblad van een verzekeringskloot die nog in het cellofaan zaten. Dit soort krasjes op de tijdschriftstapel-ziel horen bij het opgroeien. Het was nu een volwassen stapel die de mand zelf volledig aan het zicht onttrok. Een decoratief ornament op zich. Niet vreemd dus, dat het staketsel ook de aandacht van Baby C. trok.

Aangekomen bij deze papieren Toren van Pisa, merkte hij dat het geen geluid maakte en ook geen licht gaf. Hij gaf er eenzelfde klap tegen als tegen zijn luisterboek, wanneer de in reliëf afgebeelde bijen niet snel genoeg naar zijn goesting ‘tjoetjoetjoe’ zeggen. Het monument viel met een doffe roffel op de grond.
‘Isse dat nu?! Ja…(glimlachen, vooral blijven glimlachen)..isse dat nu? Papa alles weer recht zetten, hè? C.’ke niet meer doen hè?’.
Zekerheidshalve schop ik het karretje-met-inhoud quasi kameraadschappelijk op veilige afstand.

Terwijl ik me omdraai, hoor ik achter me het verbeten ‘krrt krrt krrt’ van de autowieltjes. In mijn ooghoeken zie ik het handje weer richting de stapel gaan. ‘Uhuh!’, roep ik. Ik roep het wat harder dan ik bedoelde, en Baby C. schrikt zienderogen. Als hij in een stripverhaal fungeerde, zag je nu van die ‘schrikstrepen’ boven zijn ineengekrompen gestalte. Ik schrik zelf ook van mijn schoolmeestersmisthoorn. Godweet welke trauma’s Baby C. aan dit voorval nog overhoudt…

Op het eerste gezicht valt het trouwens nogal mee met die trauma’s want hij probeert het voor de derde keer. Met één vingertje, gaat hij van wijzen via aanwijzen naar aanraken. ‘Uhuh’ zeg ik nog eens, maar nu met een volume waar ze zelfs bij de jeugdreclassering instemmend bij zouden knikken. Mijn klein charmeureke kijkt om en schenkt mij een van zijn beruchte ‘lieve glimlachen’, compleet met kuiltjes in de wangen. Ik smelt. Zijn lach gaat over in een grijns, en C. dwarrelt weg met zijn karretje.  

Ik sta grinnikend boterhammen te smeren, als even later een hoofdje heel voorzichtig boven keukentafel uitpiept. Ik bulder een vette vaderlach en schiet in een hoest. Terwijl ik kuchend opzij draai, hoor ik een stapel tijdschriften tegen de grond flapperen.Je hebt gelijk jongen, ik zal het vandaag nog bij het oud papier zetten. Als ik nog minstens één keer zo’n glimlach van je krijg.

*Suikernonkel – Suikeroom 

Reacties zijn gesloten.