Baby C is malcontent

[post_list name=”Alle Bloggers”][post_list name=”Header Hugo Luijten”]

Zojuist ben ik wakkergekotst door Baby C. Dat klinkt dramatischer dan het is. Hij kotste en ik werd wakker, geen woord gelogen.

Hij ligt naast me in bed te wenen. En een rood hoofd te hebben. 

Uit zijn mondhoeken komen twee straaltjes witte pap. Op het esthetische af, zo’n rood hoofd met twee witte streepjes.

Ik leg het ‘knuffeldoekje van de olifant’ op zijn hoofd om hem wat tot bedaren te brengen. Het tegenovergestelde gebeurt. Hij wordt nog kwader en veegt het ‘knuffeldoekje van de olifant’ met een giftige beweging weg.  

Hij kijkt me een ogenblik aan, waarin hij duidelijk lijkt te denken: ‘Ach ouwe, bolt het toch af met uwen goeikopen brol die uw vrienden hier met dozen tegelijk binnendragen!’. En ergens heeft hij wel gelijk. Zo’n winkel in babybenodigdheden smeert een mens wat aan. En jonge ouders al helemaal. De madam in onze winkel ratelde aan een stuk door over '…. wat we in de toekomst zeker nodig zouden gaan kunnen hebben als het misschien weet ge maar nooit vanzeleven kunt ge altijd ruilen…' 


Ik vroeg haar of dat wel allemaal waar was. ‘Awel zeker, zeker. Da’s academisch bewezen hè’. Ze bedoelt waarschijnlijk wetenschappelijk, al wil ze academisch uit de hoek komen. ‘Tiens, en ik ben nochtans kinderarts en ik heb er nooit van gehoord…’, lieg ik alsof het gedrukt staat. Ze krijgt net zo’n rood hoofd als baby C. Alleen wist ik dat toen nog niet, want die moest nog geboren worden. Als ik geweten had dat zij net zo’n rood hoofd kreeg als mijn aanstaande zoon, dan had ik er zeker wel wat van gezegd. ‘Jaja, en dan nu opeens onze baby C. wat zitten nadoen! Maar zo gemakkelijk komt ge daar niet mee weg, schaamt u!’. Had vast een vette korting opgeleverd. 

Maar nu was ik al content dat we met niet al teveel onderdelen uit een rariteitenkabinet de winkel verlieten. Al denkt baby C. daar duidelijk anders over. De ‘beestjes’ die boven zijn maxi-cosi hangen – hoe zouden mijn ouders mij zonder zo’n ding groot hebben gekregen? – bekijkt hij bijvoorbeeld met een groot wantrouwen. Zelfs als hij zijn ogen dicht heeft, loenst hij af en toe met één oog naar de pastelkleurige przwalskipaarden die onvermoeibaar blijven galopperen. Zolang hij blijft bewegen althans. Zo zijn die beesten dan ook wel weer. 

Maar nu ligt hij dus naast me. En houdt hij maar niet op met wenen en met een rood hoofd te hebben. Ik laat hem daarom maar in mijn vinger grijpen, en naar mijn neus. ‘In mijne neus liever? Ok jongen, het is uw feestje’. Het helpt. Vreemd. Ik zou het idee moeten verkopen. ‘De vaderneus in de neurolo-psychologie’. Of iets anders gelikts waar gestoorde ouders op af komen. En dan als een dolle hond speculeren op het faillissement van fabrieken voor knuffeldoekjes, want die kunnen dan wel inpakken natuurlijk. Maar mijn neus is mij lief. En mijn medemens eigenlijk ook. Leven en laten leven, toch? Ik probeer het toch nog eens met ‘het knuffeldoekje van de olifant’. 

In een grote gulp wordt de olifant als het ware geseald in de lauwwarme pap van baby C. Die kijkt me aan alsof hij wil zeggen: ‘Ik heb het u gezegd, se vriend: weg met diejen brol’. Het is overduidelijk dat we met baby C. nog wat gaan meemaken…

Reacties zijn gesloten.