Baby C heeft er een neus voor – 2

[post_list name=”Alle Bloggers”][post_list name=”Header Hugo Luijten”]

Misschien is ons venteke wel zo vrolijk juist dóór zijn sondevoeding. Al zou ik niet weten waarom. Kinderhand die gauw gevuld is? Compensatie voor het feit dat hij ons bij de geboorte duchtig liet schrikken? De mensen laten schrikken, de deugniet. Sprekend zijn vader…

Hoe dan ook; na een hoop gedoe heeft hij nu dus een slangetje in zijn neus. ‘Hij eet door dat slangetje’ zo legde ik een vierjarig nichtje uit. ‘Maar een neus is toch om mee te ruiken?’ vroeg ze verbaasd. ‘Moet hij nu met zijn mond ruiken??’ redeneerde ze verder in onnavolgbare peuterlogica. De schat. Sprekend haar moeder. 

Maar eten doet baby C. inderdaad door een slangetje. Een soort slurf dus. Al krijgt hij over een tijdje die maagsonde, dus dan is het strikt genomen geen slurf meer.

Enfin, het komende jaar eet hij dus met dat slurfje en ach, alles went. Er zijn zelfs voordelen. Wij moeten er ’s nachts bijvoorbeeld nooit uit om te voeden. Zijn buikje loopt automatisch en zeer gelijkmatig vol met vette melk en heel veel suiker. Hem hoor je dus niet klagen. Eigenlijk is het wel een aanrader voor alle jonge ouders: stop een slangetje in de neus van de liefdesbaby en je hoeft niet je nest uit op de meest onmogelijke uren. 

Misschien dat baby C. daarom veel energie over heeft om zich bezig te houden met de meer geestelijke genoegens van het leven. Zo dirigeert hij al heel behoorlijk een adagio. Met gesloten ogen houdt hij traag een vage maatsoort aan, af en toe onderbroken door een sierlijke krul met een van zijn vingertjes. Alsof hij de violen die metaalachtig uit zijn ‘Winnie de Pooh mobiel’ krassen, bij de les wil houden. Het muziekje stopt echter na vijf minuten vrij abrupt, en dan wil hij wel eens overgaan tot een woest fortissimo. Met nog altijd gesloten ogen, fronst hij wel zijn wenkbrauwen en balt zijn vuistjes. ‘Wat erg als je altijd met amateurs moet werken!’, zo lijkt hij wel te denken. 

Zo nu en dan wordt de vette pap uit het slangetje hem wat teveel. Dan moet het eruit, hetgeen zich aankondigt met een droge kuch en een wit gezichtje. Zelfs bij de eerste contouren van zo’n kuch, springen wij beiden recht om katoenen doeken rond zijn lichaam te draperen. C. zou dan voor ‘Caesar’ kunnen staan, maar dat doet het niet. Niet alleen dan niet overigens. 

Enfin. Eén doek knopen wij vliegensvlug rond zijn nek, zoals een ouderwets servet uit een stripverhaal. De afhangende flap houden we recht voor hem zodat het een soort glijbaan lijkt, die gespannen staat tussen zijn hals en mijn handen. Een katoenen waaier, een muur van stof. De pap wil er nog wel eens met effect uitkomen, vandaar. Een straal tot ver boven het maaiveld is eerder regel dan uitzondering. Maar ja, dan zit hij daar met zijn witte gezichtje tegen katoenen glijbaan aan te kijken. Laatst keek hij met een zielige blik nèt over de rand van de glijbaandoekmuur. Hij hikte. En ik trok de doek nog maar wat omhoog, om het droeve lot dat de bril van de fysiotherapeut trof, te ontlopen. Ik moest zelfs opzij kijken om te zien of ik nog wel goed zat. Ik zat goed. Baby C. niet, want die keek me aan alsof hij wilde zeggen: ‘hé ouwe, hoe denk je dat ik dáár overheen moet komen?’. De schat. Precies zijn vader. 

Vanwege dat slangetje, slaapt hij bij ons in bed. Op doktersadvies. Het heerlijkste advies dat ik in jaren van dokters gehad heb. Ze deugen dus toch ergens voor.

Met een ‘worstkussen’ om hem heen gedrapeerd pikt hij een van de twee matrassen helemaal voor zichzelf in. Volgens A. houden Baby C. en ik ’s nachts een wedstrijd snurken. Dat geluid verdwijnt kennelijk niet door het slangetje. Anders had ik er voor mezelf ook meteen een aangeschaft. Al was het maar opdat hij nog meer op mij zou lijken. De schat.

Reacties zijn gesloten.