Baby C en de anderen

[post_list name=”Alle Bloggers”][post_list name=”Header Hugo Luijten”]

Na een tijdje wordt zo`n neo-zaal een beetje een huiskamer. Het kangoeroeën met Baby C tussen al die mensen, tussen het gepiep van de monitors en medicatiepompen, tussen verpleegsters die gewoon over je heen stappen. En tussen artsen die naast je een spoedoperatie uitvoeren op een vroeggeboren lijfje dat niet groter is dan mijn hand. Bij sommige dingen wil je helemaal niet eerste rang zitten. Het koppel naast ons weet niet wat hun zoontje mankeert. Dat vormt een soort rangorde onder de ouders.

'En, wat heeft die van jullie?'
'Bij ons weten ze het nog niet, maar hij reageert nergens op. Gelukkig slaapt hij wel veel'.
'Die van ons heeft een stofwisselingsziekte'.
'Ah… jullie weten het dus al…` 
'Ja…'.
'…'
'Kangoeroeën, dat schijnt te helpen'.
'Och, zou het…?'
'Ze zeggen het toch…'
'Tsja…'

Dat soort gesprekjes. Elk met zijn gedachten bij zijn eigen wanhoop. 
Een eindje verderop is een nieuw gezin gearriveerd. Bij de eerste aanblik bevalt me de vader al niet. Hij is niet nederig genoeg. Dure designbril, duur overhemd, vast directeur van iets. Zo gedraagt hij zich in elk geval. Hun kindje is een week te vroeg geboren en verblijft hier alleen zekerheidshalve een paar dagen. 

Het is nog begrijpelijk dat hij doet alsof het de aller ziekste baby van de afdeling is. De eigen ingegroeide teennagel is altijd erger dan de kanker van de buurman. Maar om dan op hoge toon een verpleegsters bij een couveuse weg te trekken voor een of andere onnozelheid – Hey! Krijgt die van ons vandaag nog ‘es een verse luier?! – het irriteert me. Mateloos zelfs. En Baby C ook, want die stopt met smakken, trekt een gezicht vol minachting en wrijft met zijn middelvingertje langs het neusgat waar geen sonde uitsteekt. Om dan toch het smakken te hervatten. 

Achter de relaxstoel waarin ik lig te kangoeroeën, is het glasraam waar familieleden vanuit een benauwd gangetje de baby`s kunnen gadeslaan. Dat gaat min of meer op afspraak en de verpleegsters schuiven dan een paar lamellen opzij. Ook wordt er een beetje plaats gemaakt, zodat papa of mama niet in hun enthousiasme achter wat snoeren blijven hangen en zo een couveuse lamleggen.

Ik hoor gestommel achter me in het gangetje en kijk een verpleegster vragend aan. Zij kijkt even vragend terug en kijkt dan weer vragend naar de hoofdverpleegkundige. Die begint met een vragende blik in een stapel papieren te rommelen, terwijl ze vragend op haar horloge kijkt. Ik lig me nog te verbazen over dit pantomimespel, als ik het doordringende gebons van kalfslederen herenschoenen op linoleum hoor. Hij, de directeur van iets, nadert met grote stappen, zijn dochter in zijn armen. Hij kijkt me dwingend aan de kant, maar ik kan niet weg. Baby C ligt op me en zijn slangen en sondes vormen een kleurrijke wegversperring. Hij heft een been op om over mijn relaxstoel heen te stappen. Ik schenk hem mijn beruchte 'durf-het-eens-blik' maar dat helpt niet. 

Toen hij met een been over mij en Baby C heen stond, liet ik met een boosaardige grijns mijn ogen naar zijn kruis zakken. Hij kon geen kant op en hij riep om een verpleegster. De verpleegster haalde adem om hem de les te lezen – neem ik aan – maar hij liep gewoon verder nadat ze hem over mij heen had geholpen. Bij het raam gekomen begon hij luid te praten, in een poging om door het plexiglas verstaanbaar te worden. Nog een lompe directeur ook. Dat daarbij een couveusekindje wakker werd scheen hem niets te interesseren. 

Reacties zijn gesloten.