Ziekte van Gaucher type 2

Ziekte van Gaucher type 2 

Inleiding

De ziekte van Gaucher dankt zijn naam aan de Franse arts Philippe Gaucher die in 1882 zijn proefschrift aan het ziektebeeld wijdde. In eerste instantie werden vooral patiënten beschreven met de milde variant van de ziekte, type 1. Vele jaren later ontdekten artsen overeenkomsten tussen de relatief milde verschijnselen van Gaucher type 1 en het fatale ziektebeeld bij zuigelingen. De opheldering van het enzymdefect in 1965 maakte duidelijk dat dit inderdaad een andere vorm was van dezelfde ziekte: Gaucher type 2. De benaming ‘Gaucher type 3’ wordt nu gebruikt om een tussenvorm aan te duiden die tussen type 1 en type 2 in zit. Een derde variant werd gevonden bij een afgezonderde bevolkingsgroep in het noorden van Zweden. De ziekte van Gaucher is een lysosomale stapelingsziekte.

Lysosomale stapelingsziekten
Lysosomen zijn onderdelen in de cellen van een mens. Het zijn in feite de recyclefabriekjes van de cel, waar moleculen worden afgebroken. Dit zijn oude, kapotte celonderdelen, of bijvoorbeeld delen van virussen of bacteriën die door het lichaam zijn vernietigd. In deze lysosomen worden grote moleculen in kleinere stukken geknipt, waarna ze vervolgens door de Cel hergebruikt worden. De gemiddeld 300 lysosomen in een cel zijn zeer verschillend. Hun vorm is afhankelijk van welke moleculen ze precies moeten afbreken. Binnen een lysosoom zijn zo’n tientallen enzymen actief, die elk een specifieke stap in het verknippen van een stof uitvoeren. Als er een Enzym ontbreekt of zijn werk niet goed doet, kan één stap in de verwerking niet worden uitgevoerd. De stof die verwerkt had moeten worden, hoopt zich dan op in het lysosoom. Vandaar de naam lysosomale stapelingsziekten: een ongewenste stof stapelt zich op in het lysosoom. Dit heeft gevolgen voor de cel en uiteindelijk ook voor de organen en het lichaam.

Sphingolipiden
De groep lysosomale stapelingsziekten is verder onder te verdelen naar de soort ongewenste stof die zich in de lysosomen opstapelt. Bij de sphingolipiden is dat een bepaald type vetten. Die hopen zich op in de lysosomen waardoor de cellen soms extreem groot worden.
 
Het defecte enzym bij de ziekte van Gaucher
De ziekte van Gaucher wordt veroorzaakt door een verminderde activiteit van het lysosomale enzym glucocerebrosidase (ook wel β-D-glucosidase of glucosylceramidase genoemd). De verschillende typen van de ziekte worden veroorzaakt door een afwijking in hetzelfde enzym. Echter, een grotere afwijking veroorzaakt in het algemeen ernstigere ziekteverschijnselen, hoewel daar binnen de type 1 variant maar beperkt uitspraken over te doen zijn.

Zeldzaamheid
De ziekte van Gaucher is zeldzaam, maar komt relatief vaak voor bij een bepaalde bevolkingsgroep: de Ashkenazi joden. Daarbij gaat het om type 1 van de ziekte. Het geschatte voorkomen van de ziekte van Gaucher in Nederland is iets meer dan 1 op de 100.000 voor alle types. Het is mogelijk dat mildere vormen van de ziekte nooit ontdekt worden, waardoor het werkelijke aantal wat groter zou kunnen zijn.
Het grootste deel van de patiënten heeft type 1. De ernstigere types 2 en 3 komen in Nederland (samen) voor bij zo’n 1 op de 400.000 levendgeborenen.

Symptomen

Door het tekort aan activiteit van het enzym glucocerebrosidase bij de ziekte van Gaucher ontstaat er een opstapeling van glucocerebroside, een vet-suiker, in cellen van het lichaam die normaal gesproken de afbraak van die stof moeten verzorgen. Dit zijn macrofagen, die door hun typische aspect ook wel Gaucher cellen worden genoemd. Deze macrofagen zijn vooral te vinden in de lever, milt en beenmerg. Daarom zijn de symptomen van Gaucherpatiënten ook meestal gerelateerd aan deze organen. De milt kan heel groot worden, evenals de lever, en de stapeling in het beenmerg leidt uiteindelijk tot allerlei botklachten. Door de stapeling van glucocerebroside kunnen de organen allerlei klachten en pijn geven. Deze klachten kunnen per patiënt sterk verschillen.

Er zijn drie verschillende typen van de ziekte van Gaucher, maar deze indeling is vrij grof. Met name binnen type 1 en type 3 zijn er grote verschillen in de ernst van de symptomen en de leeftijd waarop de ziekte zich openbaart. Wel kan gesteld worden dat bij patiënten met Gaucher type 1 de verstandelijke vermogens over het algemeen niet zijn aangetast door de ziekte en bij type 2 en 3 wel.

Type 1 – Chronische of volwassen vorm
Kenmerkend voor Gaucher type 1 is dat de hersenen niet zijn aangetast door de ziekte. De lichamelijke symptomen kunnen echter sterk uiteenlopen. In het gunstigste geval krijgen patiënten pas klachten op late tot zeer late leeftijd of blijven ze volledig zonder symptomen en komt hun ziekte bij toeval door familie-onderzoek aan het licht. De gemiddelde leeftijd waarop deze milde patiënten gediagnosticeerd worden is rond de 30 jaar, maar sommigen zijn ruim boven de zestig voordat ze klachten krijgen. Aan de andere kant zijn er ook ernstig aangedane type 1 patiënten. Deze krijgen op de kinderleeftijd al te maken met een extreem vergrote lever en milt, waardoor ze een bolle buik hebben. Vaak is er door de grote milt een versterkte bloedafbraak, met bloedarmoede en stollingsstoornissen tot gevolg. Ook hebben ze vaak duidelijke skeletafwijkingen, waardoor ze een groeiachterstand kunnen hebben. Ook allerlei variaties van de ziekte tussen deze twee uitersten zijn mogelijk.

Enkele veel voorkomende symptomen bij de ziekte van Gaucher zijn:
– Neiging tot bloeden, vaak veroorzaakt door een te sterke afbraak van bloedplaatjes door de milt;
– Bloedarmoede, door verhoogde afbraak van rode bloedcellen in de grote milt;
– Vergrote milt, soms zo groot dat hij de hele buikholte vult;
– Vergrote lever met meestal een normale leverfunctie;
– Botproblemen, zoals vervormingen, pijn, poreuze en gemakkelijk brekende botten en zogenaamde botcrisen: hevige pijn in een bot met tekenen van ontsteking.

Minder vaak voorkomende symptomen zijn:
– leverfibrose (verbindweefseling van de lever) met gestoorde leverfunctie;
– hoge druk in de longvaten (pulmonale hypertensie);
– kortademigheid door afwijkingen in de longen.

Type 2 – Acute neuronopathische of infantiele vorm
Bij Gaucher type 2 zijn er verschillen in de leeftijd waarop de symptomen voor het eerst verschijnen, maar het verloop van de ziekte is vrijwel altijd hetzelfde. Deze kinderen worden meestal zonder herkenbare afwijkingen geboren en ontwikkelen zich in de eerste maanden schijnbaar normaal. Binnen zes maanden beginnen ze echter achteruit te gaan.
Vaak is het eerste teken van de ziekte dat de kinderen problemen met hun oogbewegingen krijgen. Ze gaan scheelzien, of zijn niet meer in staat hun ogen te bewegen (om een bewegend object te volgen). Al snel krijgen de kinderen meer symptomen, zoals stijfheid van de ledematen, epileptische aanvallen en sterke spierspanning in de nek. Kenmerkend is ook dat de organen vaak ernstig zijn aangedaan door de ziekte. De kinderen kunnen een opgezette, bolle buik hebben doordat hun lever en milt sterk vergroot zijn.
De meeste kinderen overlijden voordat ze twee jaar oud zijn, vaak als gevolg van een combinatie van neurologische en longproblemen.

Type 3 – Subacute neuronopathische of juveniele vorm
De ernst en aard van de symptomen bij Gaucher type 3 zit tussen de beide andere typen in. Vaak zijn de organen aangetast door de ziekte, met een sterk vergrote lever en milt en een bolle buik tot gevolg. De hersenen en zenuwen zijn ook aangetast, wat dezelfde neurologische achteruitgang geeft als bij type 2, maar vaak begint het later en is het verloop langzamer. Ook hier zijn afwijkingen in de oogbewegingen vaak het eerste symptoom. Daarnaast krijgen de kinderen een achterstand in hun geestelijke ontwikkeling en soms stuipen. De skeletziekte kan ook ernstig zijn. Een specifiek symptoom is het ontstaan van een knik in de wervelkolom (thoracale kyfose).
De eerste verschijnselen van de ziekte treden op vanaf een leeftijd van één jaar en soms ook later. De kinderen komen vaak jong te overlijden. De meeste sterven voor of in hun puberteit aan longproblemen of progressieve neurologische verschijnselen.
 

Diagnose

De definitieve diagnose kan met enzymonderzoek gesteld worden, waarbij de sterk verlaagde glucocerebrosidase activiteit wordt vastgesteld. Voor dit onderzoek zijn meestal bloedcellen of huidcellen nodig. Soms is het bij een nog onbekende diagnose echter nodig een weefselbiopt (lever, beenmerg) van de patiënt te nemen. Daarin kunnen de eerder genoemde Gauchercellen gevonden worden. Er zijn echter andere ziekten waarbij de patiënten cellen hebben die erg op deze Gauchercellen lijken.

Het is niet mogelijk om met het enzymonderzoek te bepalen welk type Gaucher de patiënt heeft en daarmee een voorspelling te doen over het verloop van de ziekte. Met DNA-onderzoek kan in sommige gevallen (maar lang niet alle!) wel voorspeld worden welk type Gaucher de patiënt heeft of zal krijgen. Ook is enzymonderzoek niet erg betrouwbaar om dragerschap aan te tonen. Dat kan alleen met DNA-onderzoek.

Prenataal onderzoek naar enzymactiviteit is mogelijk. Wanneer de afwijking in het DNA bekend is (omdat er eerder een kind met Gaucher in het gezin is geboren), is prenataal onderzoek nog betrouwbaarder.
 

Behandeling

Voor patiëntjes met Gaucher type 2, kunnen slechts ondersteunende behandelingen gegeven worden, waarmee het leven van de patiënten zo aangenaam mogelijk gemaakt wordt.
 

Erfelijkheid

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Meestal wordt dan gedacht aan ziekten of eigenschappen die al generaties ‘in de familie’ zitten, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. We proberen het zo duidelijk mogelijk uit te leggen.
Het menselijk lichaam bestaat uit allemaal cellen. In de kern van iedere cel zitten chromosomen. Chromosomen zijn strengen erfelijk materiaal. Ze bestaan uit een stof die we DNA noemen. In dit DNA zit een soort ‘code’ waarin al onze erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd. Het DNA is er in tweevoud: de ene helft van het DNA komt van de vader en de andere helft van de moeder.
Normaal gesproken zijn er per cel 22 gelijke chromosoomparen (autosomen). Het 23e paar is geslachtsbepalend en dus verschillend bij mannen en vrouwen: een vrouw heeft twee X-chromosomen en een man heeft een X- en een Y-chromosoom. Een man erft het Y-chromosoom altijd van zijn vader en het X-chromosoom van zijn moeder. Een vrouw krijgt van haar vader én van haar moeder een X-chromosoom.
Op de chromosomen zitten de genen. Een gen is een stukje DNA. Elk gen beschrijft de code van één erfelijke eigenschap. Bijvoorbeeld hoe je eruitziet en hoe je lichaam werkt. Van elk gen zijn er twee kopieën: één afkomstig van de moeder, één afkomstig van de vader. Als er een verandering in een gen optreedt, heet dat een mutatie.

Autosomaal recessief

Deze stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen (het gen met de mutatie) niet op de geslachtschromosomen X en Y ligt maar op één van de 22 gewone chromosomen. Zowel jongens als meisjes kunnen de aandoening dan krijgen. Ook is de kopie van het gen op het ene chromosoom zwakker dan de functionerende kopie van het gen op het andere chromosoom. Dit wordt bedoeld met de term recessief. Dit betekent meestal dat dragers van één afwijkend gen daarvan geen klachten hebben, omdat het functionerende gen op het andere chromosoom wel werkt en de taak van de afwijkende kopie compenseert.
Om ziekteverschijnselen te hebben zijn er dus twee afwijkende genen nodig. Iemand met een autosomaal recessief overervende stofwisselingsziekte heeft van allebei de ouders precies het afwijkende deel van het gen geërfd. Bij deze persoon zorgt deze combinatie voor een genetische code die niet werkt. Hierdoor kan één enzym of eiwit niet of niet voldoende worden gemaakt. Dat zorgt voor de ziekteverschijnselen.

Dragerschap en overerving

In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan gezonde dragers. Het functionerende gen op het andere chromosoom zorgt ervoor dat het benodigde enzym of eiwit bij hen voldoende wordt aangemaakt. Elk mens heeft ongeveer 25.000 genen. En elk mens draagt meerdere recessief afwijkende genen met zich mee en merkt daar meestal helemaal niets van. De variatie in onze genen, inclusief de recessieve afwijkingen, maken ons tot unieke individuen. Maar zorgen er dus ook voor dat er ineens een kind kan worden geboren met een erfelijke aandoening. Zonder dat die aandoening in de familie voorkomt. Zonder dat ouders wisten dat zij drager waren.
Als we weten dat beide ouders drager zijn van hetzelfde afwijkende gen, weten we dat ze bij elke zwangerschap een kans van 1 op 4 (25%) hebben op een kind met de ziekte. Ook hebben ze een kans van 3 op 4 (75%) op een kind dat niet ziek is. Van de gezonde kinderen zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn of haar DNA.

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

Ziekte van Gaucher, type 2
GD 2
Infantile cerebral Gaucher disease
Gaucher disease, acute neuronopathic type

Meest gebruikte naam

Gaucher, ziekte van (type 2)

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er is één lid met ‘Ziekte van Gaucher type 2’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

11 July 2021

Autorisatie door:

prof. dr. C.E.M. Hollak

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reacties zijn gesloten.