Tay-Sachs

Tay-Sachs 

Inleiding

De ziekte van Tay-Sachs is een zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. Met ‘stofwisseling’ wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren, botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De Stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen. Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden omgezet en hoopt zich op in de cel, terwijl het mogelijk belangrijke product te weinig of soms helemaal niet meer gevormd wordt. Deze situatie kan tot min of meer ernstige klachten leiden. Dit noemen we een stofwisselingsziekte.

Achtergrond
De ziekte van Tay-Sachs en de ziekte van Sandhoff zijn varianten van een lysosomale stapelingsziekte: gangliosidose GM2. De ziekte is genoemd naar twee artsen. De eerste, de Britse oogarts Warren Tay, heeft in 1881 de eerste patiënt beschreven met de rode vlek op het netvlies die kenmerkend is voor Tay-Sachs. De Amerikaanse neuroloog Bernard Sachs beschreef jaren later als eerste de veranderingen in de lichaamscellen van Tay-Sachs patiënten. Hij was ook degene die als eerste de erfelijkheid van de ziekte opmerkte.
Veel patiënten met de ziekte van Tay-Sachs zijn van Oost-Europese, joodse komaf. Maar ook buiten deze gemeenschap treedt de ziekte op.

Lysosomale stapelingsziekten
Lysosomen zijn onderdelen in de cellen van een mens. Het zijn in feite de recyclefabriekjes van de cel, waar moleculen worden afgebroken. Dit zijn oude, kapotte cel onderdelen, of bijvoorbeeld delen van virussen of bacteriën die door het lichaam zijn vernietigd. In deze lysosomen worden grote moleculen in kleinere stukken geknipt, waarna ze vervolgens door de Cel hergebruikt worden. De gemiddeld 300 lysosomen in een Cel zijn zeer verschillend. Hun vorm is afhankelijk van welke moleculen ze precies moeten afbreken. Binnen een lysosoom zijn zo’n vijftig enzymen actief, die elk een specifieke stap in het verknippen van een stof uitvoeren. Als er een Enzym ontbreekt of zijn werk niet goed doet, kan één stap in de verwerking niet worden uitgevoerd. De stof die verwerkt had moeten worden, hoopt zich dan op in het lysosoom. Vandaar de naam lysosomale stapelingsziekten: een ongewenste stof stapelt zich op in het lysosoom. Dit heeft gevolgen voor de cel en uiteindelijk ook voor de organen en het lichaam.

Sphingolipiden
De groep lysosomale stapelingsziekten is verder onder te verdelen naar de soort ongewenste stof die zich in de lysosomen opstapelt. Bij de sphingolipiden is dat een bepaald type vetten. Die hopen zich op in de lysosomen waardoor de cellen extreem groot worden en er onder de microscoop schuimachtig uitzien. De precieze samenstelling van die schuimcellen verschilt en is vaak kenmerkend voor een bepaalde ziekte.

Het defecte enzym bij de ziekte van Tay-Sachs
De ziekte van Tay-Sachs wordt veroorzaakt door een defect in het enzym hexosaminidase A.

Zeldzaamheid
De ziekte van Tay-Sachs komt veel voor bij Ashkenazi Joden afkomstig uit Oost- en Centraal-Europa. Een op de dertig Ashkenazi Joden is drager van de aandoening en in de Joodse populatie komt zij bij 1 op de 3.900 pasgeborenen voor. Door gerichte screening vóór de geboorte in deze bevolkingsgroepen, is het aantal kinderen dat geboren wordt met de ziekte van Tay-Sachs aanzienlijk afgenomen. In Nederland komt de ziekte van Tay-Sachs slechts ongeveer bij 1 op de 250.000 pasgeborenen voor. Dat betekent dat er per jaar in Nederland gemiddeld minder dan één kind geboren wordt met deze ziekte.

Symptomen

De ziekte van Tay-Sachs wordt veroorzaakt door een tekort aan activiteit van het enzym hexosaminidase A. Hierdoor vindt stapeling plaats van bepaalde vetten (gangliosiden) in de hersenen. Deze stapeling heeft ernstige gevolgen, waarvan de eerste tekenen meestal in de derde tot vijfde levensmaand tot uiting komen. Er zijn ook later optredende vormen van de ziekte. Die zijn veel zeldzamer.

Klassieke variant van de ziekte van Tay-Sachs
Kinderen met de ziekte van Tay-Sachs worden normaal geboren, maar vertonen vaak vanaf de leeftijd van een paar maanden de eerste symptomen van hun ziekte. De eerste tekenen verschillen van patiënt tot patiënt. Vaak is er een vertraging in de verstandelijke en motorische ontwikkeling. Aangedane kinderen zijn schrikachtig en rusteloos en maken minder oogcontact. Ook zijn ze vaak lusteloos en slap doordat ze een te lage spierspanning hebben.
Soms leert een patiëntje wel bepaalde motorische vaardigheden, zoals kruipen en zitten. Na verloop van tijd verliezen ze die vaardigheden echter weer. Meestal zijn ze verdwenen op de leeftijd van 10 tot 12 maanden. Zowel de motorische als geestelijke aftakeling zetten daarna zeer snel door. Epileptische aanvallen, als gevolg van de aantasting van het centrale zenuwstelsel, beginnen meestal op de leeftijd van een jaar.
In hun ogen is een duidelijke kersrode vlek te zien (de ‘cherry-red spot’). Net als hun motorische vaardigheden gaat het zicht van de patiënt ook achteruit. Kinderen gaan slechter zien en worden uiteindelijk vaak blind.
De totale achteruitgang leidt vaak tot een vegeterende toestand, meestal vanaf het tweede levensjaar. Een kind met de ziekte van Tay-Sachs overlijdt meestal op jonge leeftijd. Longontsteking, veroorzaakt door een oppervlakkige ademhaling of de onmogelijkheid te hoesten, of onbehandelbare epilepsie zijn vaak oorzaken van overlijden.

Juveniele Tay-Sachs
Bij de zeldzame variant juveniele Tay-Sachs of de ziekte van Bernheimer-Seitelberger, treden de symptomen later op dan bij de klassieke variant van de ziekte van Tay-Sachs. Dit komt doordat de enzymactiviteit van het hexosaminidase A iets hoger is. Dit heeft als gevolg dat coördinatiestoornissen zich openbaren tussen het tweede en zesde levensjaar, gevolgd door progressieve dementie, spraakverlies en toenemende spasticiteit voor het tiende levensjaar. Over het algemeen treedt gezichtsverlies in een veel later stadium op dan bij de klassieke Tay-Sachs variant. Op 10-12 jarige leeftijd wordt gewoonlijk een vegetatief stadium bereikt, enkele jaren later gevolgd door de dood.

Adulte Tay-Sachs
Sommige Tay-Sachs patiënten krijgen pas op latere leeftijd last van symptomen van de ziekte, meestal wanneer ze tussen 15 en 30 jaar oud zijn. De eerste symptomen zijn onhandigheid en subtiele gedragsveranderingen.
Later krijgen patiënten andere neurologische problemen, zoals spierzwakte, krampen, coördinatiestoornissen en spraakproblemen. Sommige patiënten krijgen ook verstandelijke problemen, zoals geheugenverlies, begripsmoeilijkheden en achteruitgang in schoolprestaties. Zij kunnen gedragsveranderingen vertonen, waaronder verminderde aandacht en persoonlijkheidsveranderingen en psychoses en depressies.
Er is nog veel onduidelijkheid over deze vorm van Tay-Sachs, waardoor een Prognose voor de levensverwachting moeilijk te geven is.

Diagnose

De diagnose wordt gesteld op grond van de symptomen. De diagnose kan worden bevestigd met onderzoek naar de enzymactiviteit van het enzym hexosaminidase-A. Infantiele patiënten, met de klassieke vorm van de ziekte van Tay-Sachs, hebben geen meetbare enzymactiviteit. Patiënten met een later optredende variant hebben een activiteit tot 4% van het normale.
Met genetisch onderzoek kan het precieze gendefect worden opgespoord. Dit kan nodig zijn voor prenatale screening bij een volgende zwangerschap.

Behandeling

Op dit moment is er geen behandeling bekend om de gevolgen van Tay-Sachs te stoppen. Alles is gericht op het bestrijden van de symptomen van de ziekte, om patiënten zo aangenaam mogelijk te laten leven zo lang het kan.

Er zijn spaarzame meldingen van de effecten van substraatdeprivatie-therapie met Zavesca® bij jonge kinderen met de ziekte van Tay-Sachs. Er is ook een onderzoek gaande naar het effect van deze behandeling bij volwassenen met de late vorm van de ziekte. Bij deze vorm van therapie wordt door het genoemde medicijn geprobeerd de aanmaak van de stof, die bij Tay-Sachs niet afgebroken kan worden, te verminderen. De effecten van deze behandeling lijken tot nu toe tegen te vallen, vooral bij jonge kinderen. De andere behandelingsmethoden waarop de hoop voor de toekomst gevestigd is, zijn enzymvervangingstherapie en gentherapie, waarbij het ontbrekende enzym respectievelijk gen moet worden ingebracht. Op dit moment is dat allemaal nog verre toekomst.

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Dat betekent dat je met de ziekte geboren wordt en er niet van kan genezen. Het betekent meestal dat de ouders van te voren niet hadden kunnen weten dat hun kind ziek zou worden. In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan ‘gezonde dragers’ van een afwijkend gen en hebben daarnaast het normale gen (zie onder). Het normale gen zorgt ervoor dat het benodigde enzym bij hen voldoende aangemaakt wordt. Een kind met de ziekte heeft twee afwijkende genen en mist het normale gen. Daardoor wordt het enzym niet of onvoldoende aangemaakt.

Autosomaal recessief
In elke cel van het lichaam is het erfelijke materiaal in tweevoud aanwezig en is verdeeld in chromosoomparen. Er zijn per cel 22 gelijke paren (autosomen), terwijl het 23e paar geslacht-bepalend is en verschilt tussen een vrouw, die twee X-chromosomen heeft en een man die een X- en een Y-Chromosoom heeft.

Deze Stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen op één van de 22 gewone chromosomen ligt. Zowel jongens als meisjes kunnen ziek zijn. Daarnaast is een afwijkend gen op een van de twee chromosomen ondergeschikt aan het normale gen op het andere chromosoom (recessief), die in dat geval compenseert. Dit gebeurt bij een ‘gezonde dragers’, die de ziekte dus niet zal krijgen. Er zijn dus twee afwijkende genen nodig om de ziekte te krijgen. Een kind met een stofwisselingsziekte heeft van allebei zijn ouders een afwijkend gen geërfd.

De ouders zijn niet ziek, maar zijn wel drager van het afwijkende gen. Daardoor hebben ze 25% kans (1 op 4) bij elke zwangerschap op een kind met de ziekte. Ook hebben ze 75% (3 op 4) kans op een kind dat niet ziek is. Daarvan zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn DNA.

Patiënten met de adulte vorm van Tay-Sachs kunnen al volwassen zijn als hun ziekte zich openbaart. Zij kunnen dan zelf al kinderen hebben. Het hangt van hun partner af of hun kinderen de ziekte ook zullen hebben. Als de partner de genafwijking niet heeft, wordt geen van de kinderen ziek, maar zijn ze wel allemaal drager van het afwijkende gen. Als de partner de genafwijking wel heeft, is er 50% kans op een ziek kind en 50% kans op een gezond kind dat wel drager is. Wanneer de partner geen familie is, is de kans dat hij of zij dezelfde genafwijking heeft, zeer klein.

 

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

Ziekte van Tay-Sachs
GM2-gangliosidosis, type 1
GM2-gangliosidosis, variant B
Hexosaminidase A deficiëntie
HEXA deficiëntie

Meest gebruikte naam

Tay-Sachs, ziekte van

Kenniskaarten:

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er zijn 9 leden met ‘Tay-Sachs’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

05 October 2017

Autorisatie door:

dr. M. Willemsen

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reageren is niet mogelijk