Syndroom van Schindler

Syndroom van Schindler 

Inleiding

De ziekte van Schindler is een zeer zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. Met 'stofwisseling' wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren, botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De Stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen. Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden omgezet en hoopt zich op in de cel, terwijl het mogelijk belangrijke product te weinig of soms helemaal niet meer gevormd wordt. Deze situatie kan tot min of meer ernstige klachten leiden. Dit noemen we een stofwisselingsziekte.

Verschillende typen
Er zijn twee typen van de ziekte van Schindler. Type 1 treedt op in de eerste levensjaren en heeft een zeer ernstig verloop. Type 2 is milder en wordt meestal pas op volwassen leeftijd ontdekt.

Zeldzaamheid
De ziekte van Schindler is zeer zeldzaam. Van beide typen zijn slechts enkele patiënten bekend.

Achtergrond
Lysosomale stapelingsziekten
Lysosomen zijn onderdelen in de cellen van een mens. Het zijn in feite de recyclefabriekjes van de cel, waar oude, kapotte celonderdelen worden afgebroken, of indringers van buiten een kopje kleiner worden gemaakt. In de lysosomen worden grote moleculen in kleinere stukken geknipt, waarna ze elders in de Cel hergebruikt worden. De gemiddeld 300 lysosomen in een cel zijn zeer verschillend. Hun vorm is afhankelijk van welke moleculen ze precies moeten afbreken. Binnen een lysosoom zijn zo'n vijftig enzymen actief, die elk een specifieke stap in het verknippen van stoffen uitvoeren. Als er een Enzym ontbreekt of zijn werk niet goed doet, kan één stap in de verwerking niet worden uitgevoerd. De stof die verwerkt had moeten worden, hoopt zich dan op in het lysosoom. Vandaar de naam lysosomale stapelingsziekten: een ongewenste stof stapelt zich op in het lysosoom.
Dit heeft gevolgen voor de cel en uiteindelijk ook voor de organen en het lichaam.

Stapeling van korte eiwit- en suikerketens
De stoffen die niet worden afgebroken bij de ziekte van Schindler, zijn zogenoemde 'oligosacchariden'. Dat zijn korte ketens van eiwitten en/of suikers. Het zijn stoffen die het lichaam nodig heeft om te groeien en voor stevigheid. Ze zitten bijvoorbeeld in botten of kraakbeen. In gezonde mensen worden zulke stoffen continu gemaakt en weer afgebroken. Zo worden ze steeds ververst. Het recyclen gebeurt in de lysosomen. Bij patiënten met de ziekte van Schindler gaat er bij dat afbreken iets mis, waardoor het recycleproces ergens vastloopt.

defecte of ontbrekende enzym
Bij kinderen met de ziekte van Schindler is er iets mis met het enzym α-N-galactosaminidase. Dit enzym wordt niet of nauwelijks gemaakt, waardoor verschillende korte eiwit- en suikerketens niet kunnen worden afgebroken.

Verwante aandoeningen
De ziekte van Schindler hoort bij een groep van ziekten, de zogenaamde 'glycoproteïne stapelingsziekten'. Bij alle ziekten in deze groep is er een enzymdefect waardoor de lichaamscellen bepaalde korte eiwit-en suikerketens niet kunnen afbreken. De andere ziekten in deze groep zijn:
α-Mannosidose (defect enzym: α-mannosidase)
β-Mannosidose (defect enzym: β-mannosidase)
α-Fucosidose (defect enzym: α-fucosidase)
Sialidose (defect enzym: α-neuraminidase)
Galactosialidose (defect enzym: beschermfactor voor neuraminidase en β-galactosidase)
Aspartylglucosaminurie (defect enzym: aspartylglucosaminidase)
Mucolipidose 2 / I-cel ziekte (defect enzym: N-acetylglucosamine-1-fosfotransferase)
Mucolipidose 3 (defect enzym: (defect enzym: N-acetylglucosamine-1-fosfotransferase)

Symptomen

Het lijkt erop dat er heel grote verschillen kunnen zijn tussen patiënten met het syndroom van Schindler. De symptomen variëren van zeer ernstig tot bijna geen klachten. Het is nog onduidelijk waar die grote verschillen door veroorzaakt worden.
Bij de ernstige vorm van de ziekte is bij de geboorte nog niets van de ziekte te merken, maar gaan de patiënten na een aantal maanden achterlopen in hun ontwikkeling. De achterstand slaat op een gegeven moment om in achteruitgang. De kinderen eindigen vaak in een vegetatieve staat (het zijn 'kasplantjes' geworden). Er zijn twee jonge Nederlandse patiënten uit één gezin bekend met de biochemische kenmerken van dit type, die een veel milder verloop van de ziekte hebben.
Het is ook mogelijk dat de symptomen pas beginnen als de patiënt volwassen is. Deze zijn dan vaak zeer mild.
Omdat er zeer weinig patiënten bekend zijn, is er weinig in het algemeen te zeggen over de levensverwachting van patiënten met het syndroom van Schindler.

Diagnose

Patiënten met de ziekte van Schindler hebben grote hoeveelheden suiker- en eiwitketens in hun urine. Een urinetest kan dus en aanwijzing geven. De precieze diagnose kan gesteld worden door de enzymactiviteit van alpha-N-galactosaminidase te meten in bloed of een stukje huid van de patiënt.

Prenatale diagnose bij toekomstige kinderen is mogelijk, maar is vanwege de zeldzaamheid van de ziekte nog niet vaak gedaan.

Behandeling

Op dit moment is er voor de ziekte van Schindler geen behandeling bekend, behalve het bestrijden van de symptomen van de ziekte.

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Mensen vinden erfelijkheid ingewikkeld. We proberen het zo duidelijk mogelijk uit te leggen.

Het menselijke lichaam bestaat uit allemaal cellen. In de kern van elke cel is erfelijk materiaal aanwezig. Dit noemen we DNA. Het DNA bevat alle erfelijke eigenschappen. Dat DNA is er in tweevoud: de helft van het DNA komt van de vader en de andere helft van de moeder. De chromosomen bevatten stijf opgerolde DNA-strengen. Je kunt ze onder een microscoop waarnemen, als de cel zich deelt. Er zijn normaal gesproken per cel 22 gelijke paren chromosomen (autosomen), terwijl het 23e paar geslacht-bepalend is en bij een vrouw twee X chromosomen en bij een man een X en een Y chromosoom heeft. Een man erft het Y chromosoom altijd van zijn vader een vrouw krijgt van haar moeder een X chromosoom en van haar vader het andere X chromosoom. De chromosomen bevatten de genen die met een hele lange streng letters een recept of code vormen voor één erfelijke eigenschap. Ook de genen bestaan dus voor de helft uit materiaal afkomstig van vader en voor de andere helft uit materiaal afkomstig van moeder.

Autosomaal recessief
Deze stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen op één van de 22 gewone chromosomen ligt , niet op de geslachtschromosomen X en Y. Zowel jongens als meisjes kunnen de aandoening dan krijgen. Ook is het afwijkende deel van het gen ondergeschikt aan het functionele gen afkomstig van het andere chromosoom. Dit wordt bedoeld met de term recessief. Dit betekent meestal dat dragers van één afwijkend gen daarvan geen klachten hebben, omdat het functionerende gen  op het andere chromosoom de taak van het afwijkende gen compenseert.

Er zijn dus twee afwijkende genen nodig om ziekteverschijnselen te hebben. Een persoon met een autosomaal overervende stofwisselingsziekte heeft van allebei de ouders precies het afwijkende deel van het gen geërfd. Bij deze persoon zorgt deze combinatie voor een genetische code die niet werkt. Hierdoor kan één enzym of eiwit niet of niet voldoende worden gemaakt. Dat zorgt voor de ziekteverschijnselen.

Dragerschap en overerving
In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan gezonde dragers. Het functionerende gen  op het andere chromosoom zorgt ervoor dat het benodigde enzym of eiwit bij hen voldoende aangemaakt wordt. Elk mens heeft ongeveer 25.000 genen. Elk mens draagt tenminste zeven recessieve afwijkende genen met zich mee. Deze afwijkende genen, maken ons deels tot unieke individuen. Maar zorgen er dus ook voor dat er ineens een kind geboren kan worden met een erfelijke aandoening. Zonder dat die aandoening in de familie voorkomt. Zonder dat ouders wisten dat zij drager waren.

Wanneer men weet dat beide ouders drager zijn van hetzelfde afwijkende gen, weten we dat ze bij elke zwangerschap een kans van 1 op 4 (25%)  hebben op een kind met de ziekte. Ook hebben ze 75% (3 op 4) kans op een kind dat niet ziek is. Van de gezonde kinderen zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn DNA.

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

Syndroom van Schindler
Ziekte van Schindler
Schindler's ziekte
α-N-acetylgalactosaminidase deficiëntie

Meest gebruikte naam

Schindler, syndroom van

Kenniskaarten:

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er zijn momenteel geen leden met ‘Syndroom van Schindler’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

19 May 2014

Autorisatie door:

prof. dr. F.A. Wijburg

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reageren is niet mogelijk