Syndroom van Cockayne

Syndroom van Cockayne 

Inleiding

Het Syndroom van Cockayne is een erfelijke stofwisselingsziekte. Met 'stofwisseling' wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw en het goed functioneren van onze weefsels zoals spieren, botten en organen, en voor het vrijmaken van energie. De Stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam, waar enzymen en andere eiwitten hun werk doen. Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden omgezet of een bepaalde chemische reactie niet meer plaatsvinden in de cel. Als dit tot klachten leidt, noemen we het een stofwisselingsziekte.

Achtergrond
Het syndroom van Cockayne (CS) is vernoemd naar de Londense arts Edward Alfred Cockayne die zich concentreerde op erfelijke ziekten bij kinderen. In 1936 beschreef hij voor het eerst het syndroom bij twee jonge patientjes met cachectische dwerggroei, atrofie van de retina en doofheid , dat later zijn naam kreeg.
Het syndroom van Cockayne is onderdeel van een groep verouderingsziekten, waarbij de patiëntjes versneld verouderen, klein blijven en vaak gevoelig zijn voor (zon)licht (UV stralen).  Een ander syndroom uit die groep met vrijwel identieke kenmerken is trichothiodystrofie, waarbij kinderen naast CS verschijnselen ook kenmerkende broze haren en nagels hebben en een schilferige huid.

Er zijn meerdere vormen van het syndroom van Cockayne te onderscheiden, die variëren in ernst van de ziekteverschijnselen. Alle vormen van CS worden veroorzaakt door aangeboren defecten in een aantal erfelijke eigenschappen (genen).
De defecte CS eiwitten

Patiënten met het syndroom van Cockayne hebben een defect in één van de genen die zorgen voor eiwitten die bepaalde beschadigingen in het DNA kunnen repareren, waarvan defecten in het CSB en het CSA gen het meest voorkomen. Dit betreft DNA beschadigingen, o.a. veroorzaakt door UV-stralen in het zonlicht, waardoor de patiënten ondermeer heel gevoelig zijn voor verbranding bij blootstelling aan de zon. Deze consistente gevoeligheid van de huid voor zonlicht wordt in het geval van CS patiënten vaak pas in latere jaren opgemerkt, en geeft (heel opvallend) geen verhoogde kans op huidkanker, in tegenstelling tot een ander zeldzaam DNA reparatie syndroom, xeroderma pigmentosum, waarbij patiënten een meer dan 1000-maal hogere kans op huidkanker hebben.

Zeldzaamheid
Het syndroom van Cockayne is een zeldzame stofwisselingsziekte. De ziekte komt gemiddeld voor bij ongeveer 1 op de 1.000.000 levendgeboren kinderen. In Nederland wordt per jaar gemiddeld minder dan één patiëntje met het syndroom van Cockayne geboren.

Symptomen

Patiëntjes met de klassieke vorm van het syndroom van Cockayne (CS type I) worden meestal zonder afwijkingen geboren. In het eerste jaar is hun ontwikkeling meestal ook nog redelijk normaal, maar daarna komen de eerste ziekteverschijnselen duidelijk aan het licht. Hoewel de patiëntjes aanvankelijk normaal groeien, groeien ze vanaf dat moment steeds langzamer. De meeste patiëntjes groeien na hun vierde jaar helemaal niet meer. Ook hun hoofdomtrek blijft klein (microcefalie). Naarmate de zij ouder worden, lijken hun gelaatstrekken snel te verouderen. Zij hebben vaak een smal gezicht met ingevallen ogen en spitse neus en mond. Ook zijn ze erg dun en hebben weinig lichaamsvet.

Vaak is de huid van deze patiëntjes erg gevoelig voor zonlicht. Zonder bescherming tegen zonlicht, ontstaan op hun huid blaren. Daarnaast komt het vaak voor dat patiëntjes langzaam doof en hun gezichtsvermogen achteruit gaat.

De meeste patiënten zijn ook verstandelijk beperkt door hun ziekte. Hun mentale ontwikkeling stagneert tijdens hun jonge levensjaren en zal naarmate de ziekte voortschrijdt versneld achteruit gaan. De patiënten takelen zowel geestelijk als lichamelijk steeds verder af en komen uiteindelijk vroegtijdig te overlijden. De meeste patiëntjes overlijden voor hun vijftiende levensjaar, maar er zijn patiënten bekend die ouder zijn geworden. Patiënten met de ernstiger variant (CS type II) hebben nagenoeg dezelfde verschijnselen als hierboven beschreven. Deze patiënten hebben echter vaak al vanaf hun geboorte afwijkende uiterlijke kenmerken. Ook zijn ze al bij de geboorte te klein. Bij deze kinderen verloopt de ziekte een stuk sneller, waardoor zij vaak voor hun achtste levensjaar komen te overlijden. Een in de literatuur veel gebruikte term COFS (Cerebro-Oculo-Facio-Skeletal Syndrome) is de ernstigste variant van deze tweede categorie, waarbij patiëntjes vaak al voor dat ze 2 jaar oud zijn overlijden. Patiënten met de meest milde vorm van de ziekte vallen onder CS type III. Bij hen ontwikkelen zich de eerste verschijnselen in het derde en vierde jaar, maar het verloop is veel langzamer, waardoor ze soms wel de volwassen leeftijd kunnen bereiken.

 

Diagnose

De uiterlijke kenmerken van Cockayne-patiëntjes zijn meestal voldoende aanleiding voor de diagnose, waarbij de opvallende zongevoeligheid het meest informatief is. De diagnose kan bevestigd worden met laboratoriumonderzoek en/of MRI. Het is mogelijk om bij een volgende zwangerschap het ongeboren kind te testen op het syndroom van Cockayne.

 

Behandeling

Het syndroom van Cockayne is helaas nog niet te genezen. Ook is er geen behandeling beschikbaar die de symptomen van de ziekte kan voorkomen of beperken. Alle vormen van 'behandeling' zijn erop gericht om de patiënt zo aangenaam mogelijk te laten leven. Het is voor zowel de familie als de behandelend arts belangrijk om te beseffen dat het geen standaard patiënten zijn. Patiënten hebben een beduidend lagere voedselinname per dag en reageren overgevoelig voor anastesie. Het raadplegen van medische experts kan bij twijfel geen kwaad. Meer informatie of deskundig advies is te vinden op www.amyandfriends.nl.

Wel wordt er onderzoek naar de ziekte gedaan, wat mogelijk op termijn kan uitmonden in een behandeling voor een aantal van de symptomen van het ziektebeeld.  Onderzoek aan muismutanten met dezelfde ziekte geeft hoop dat door middel van voedingsinterventies een aanzienlijke verbetering in het verloop van de ziekte kan worden bereikt. De verwachting is dat er binnenkort klinische trials zullen worden gestart.  

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Mensen vinden erfelijkheid ingewikkeld. We proberen het zo duidelijk mogelijk uit te leggen.

Het menselijke lichaam bestaat uit allemaal cellen. In de kern van elke cel is erfelijk materiaal aanwezig. Dit noemen we DNA. Het DNA bevat alle erfelijke eigenschappen. Dat DNA is er in tweevoud: de helft van het DNA komt van de vader en de andere helft van de moeder. De chromosomen bevatten stijf opgerolde DNA-strengen. Je kunt ze onder een microscoop waarnemen, als de cel zich deelt. Er zijn normaal gesproken per cel 22 gelijke paren chromosomen (autosomen), terwijl het 23e paar geslacht-bepalend is en bij een vrouw twee X chromosomen en bij een man een X en een Y chromosoom heeft. Een man erft het Y chromosoom altijd van zijn vader een vrouw krijgt van haar moeder een X chromosoom en van haar vader het andere X chromosoom. De chromosomen bevatten de genen die met een hele lange streng letters een recept of code vormen voor één erfelijke eigenschap. Ook de genen bestaan dus voor de helft uit materiaal afkomstig van vader en voor de andere helft uit materiaal afkomstig van moeder.

Autosomaal recessief
Deze stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen op één van de 22 gewone chromosomen ligt , niet op de geslachtschromosomen X en Y. Zowel jongens als meisjes kunnen de aandoening dan krijgen. Ook is het afwijkende deel van het gen ondergeschikt aan het functionele gen afkomstig van het andere chromosoom. Dit wordt bedoeld met de term recessief. Dit betekent meestal dat dragers van één afwijkend gen daarvan geen klachten hebben, omdat het functionerende gen  op het andere chromosoom de taak van het afwijkende gen compenseert.

Er zijn dus twee afwijkende genen nodig om ziekteverschijnselen te hebben. Een persoon met een autosomaal overervende stofwisselingsziekte heeft van allebei de ouders precies het afwijkende deel van het gen geërfd. Bij deze persoon zorgt deze combinatie voor een genetische code die niet werkt. Hierdoor kan één enzym of eiwit niet of niet voldoende worden gemaakt. Dat zorgt voor de ziekteverschijnselen.

Dragerschap en overerving
In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan gezonde dragers. Het functionerende gen  op het andere chromosoom zorgt ervoor dat het benodigde enzym of eiwit bij hen voldoende aangemaakt wordt. Elk mens heeft ongeveer 25.000 genen. Elk mens draagt tenminste zeven recessieve afwijkende genen met zich mee. Deze afwijkende genen, maken ons deels tot unieke individuen. Maar zorgen er dus ook voor dat er ineens een kind geboren kan worden met een erfelijke aandoening. Zonder dat die aandoening in de familie voorkomt. Zonder dat ouders wisten dat zij drager waren.

Wanneer men weet dat beide ouders drager zijn van hetzelfde afwijkende gen, weten we dat ze bij elke zwangerschap een kans van 1 op 4 (25%)  hebben op een kind met de ziekte. Ook hebben ze 75% (3 op 4) kans op een kind dat niet ziek is. Van de gezonde kinderen zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn DNA.

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

Syndroom van Cockayne
Cockayne syndrome
CKN

Meest gebruikte naam

Syndroom van Cockayne

Kenniskaarten:

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er zijn 2 leden met ‘Syndroom van Cockayne’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

15 November 2016

Autorisatie door:

J. Hoeijmakers

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reacties zijn gesloten.