Syndroom van Cockayne

Syndroom van Cockayne 

Inleiding

De Londense arts Edward Alfred Cockayne beschreef in 1936 twee jonge patientjes met cachectische dwerggroei, atrofie van de retina en doofheid. Wat hij beschreef, zou later zijn naam krijgen. 
 

Er zijn meerdere vormen van het syndroom van Cockayne te onderscheiden, die variëren in ernst van de ziekteverschijnselen. Alle vormen van CS worden veroorzaakt door aangeboren defecten in een aantal erfelijke eigenschappen (genen).
De defecte CS eiwitten

Patiënten met het syndroom van Cockayne hebben een defect in één van de genen die zorgen voor eiwitten die bepaalde beschadigingen in het DNA kunnen repareren, waarvan defecten in het CSB en het CSA gen het meest voorkomen. Dit betreft DNA beschadigingen, o.a. veroorzaakt door UV-stralen in het zonlicht, waardoor de patiënten ondermeer heel gevoelig zijn voor verbranding bij blootstelling aan de zon. Deze consistente gevoeligheid van de huid voor zonlicht wordt in het geval van CS patiënten vaak pas in latere jaren opgemerkt, en geeft (heel opvallend) geen verhoogde kans op huidkanker, in tegenstelling tot een ander zeldzaam DNA reparatie syndroom, xeroderma pigmentosum, waarbij patiënten een meer dan 1000-maal hogere kans op huidkanker hebben.

Zeldzaamheid
Het syndroom van Cockayne is een zeldzame stofwisselingsziekte. De ziekte komt gemiddeld voor bij ongeveer 1 op de 1.000.000 levendgeboren kinderen. In Nederland wordt misschien elke tien jaar gemiddeld één patiënt met het syndroom van Cockayne geboren.

Symptomen

Kinderen met de klassieke vorm van het syndroom van Cockayne (CS type I) worden meestal zonder afwijkingen geboren. In het eerste jaar is hun ontwikkeling meestal ook nog redelijk normaal, maar daarna komen de eerste ziekteverschijnselen duidelijk aan het licht. Hoewel de patiëntjes aanvankelijk normaal groeien, groeien ze vanaf dat moment steeds langzamer. De meeste patiëntjes groeien na hun vierde jaar helemaal niet meer. Ook hun hoofdomtrek blijft klein (microcefalie). Naarmate de zij ouder worden, lijken hun gelaatstrekken snel te verouderen. Zij hebben vaak een smal gezicht met ingevallen ogen en spitse neus en mond. Ook zijn ze erg dun en hebben weinig lichaamsvet.

Vaak is de huid van deze patiëntjes erg gevoelig voor zonlicht. Zonder bescherming tegen zonlicht, ontstaan op hun huid blaren. Daarnaast komt het vaak voor dat patiëntjes langzaam doof en hun gezichtsvermogen achteruit gaat.

De meeste patiënten zijn ook verstandelijk beperkt door hun ziekte. Hun mentale ontwikkeling stagneert tijdens hun jonge levensjaren en zal naarmate de ziekte voortschrijdt versneld achteruit gaan. De patiënten takelen zowel geestelijk als lichamelijk steeds verder af en komen uiteindelijk vroegtijdig te overlijden. De meeste patiëntjes overlijden voor hun vijftiende levensjaar, maar er zijn patiënten bekend die ouder zijn geworden. Patiënten met de ernstiger variant (CS type II) hebben nagenoeg dezelfde verschijnselen als hierboven beschreven. Deze patiënten hebben echter vaak al vanaf hun geboorte afwijkende uiterlijke kenmerken. Ook zijn ze al bij de geboorte te klein. Bij deze kinderen verloopt de ziekte een stuk sneller, waardoor zij vaak voor hun achtste levensjaar komen te overlijden. Een in de literatuur veel gebruikte term COFS (Cerebro-Oculo-Facio-Skeletal Syndrome) is de ernstigste variant van deze tweede categorie, waarbij patiëntjes vaak al voor dat ze 2 jaar oud zijn overlijden. Patiënten met de meest milde vorm van de ziekte vallen onder CS type III. Bij hen ontwikkelen zich de eerste verschijnselen in het derde en vierde jaar, maar het verloop is veel langzamer, waardoor ze soms wel de volwassen leeftijd kunnen bereiken.

 

Diagnose

De uiterlijke kenmerken van Cockayne-patiëntjes zijn meestal voldoende aanleiding voor de diagnose, waarbij de opvallende zongevoeligheid het meest informatief is. De diagnose kan bevestigd worden met laboratoriumonderzoek en/of MRI. Het is mogelijk om bij een volgende zwangerschap het ongeboren kind te testen op het syndroom van Cockayne.

 

Behandeling

Het syndroom van Cockayne is helaas nog niet te behandelen. Alle vormen van ‘behandeling’ zijn erop gericht om de patiënt zo aangenaam mogelijk te laten leven. Het is voor zowel de familie als de behandelend arts belangrijk om te beseffen dat het geen standaard patiënten zijn. Patiënten hebben een beduidend lagere voedselinname per dag en reageren overgevoelig voor anastesie. Het raadplegen van medische experts kan bij twijfel geen kwaad. Meer informatie of deskundig advies is te vinden op www.amyandfriends.nl.

Wel wordt er onderzoek naar de ziekte gedaan, wat mogelijk op termijn kan uitmonden in een behandeling voor een aantal van de symptomen van het ziektebeeld.  Onderzoek aan muismutanten met dezelfde ziekte geeft hoop dat door middel van voedingsinterventies een aanzienlijke verbetering in het verloop van de ziekte kan worden bereikt. De verwachting is dat er binnenkort klinische trials zullen worden gestart.  

Erfelijkheid

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Meestal wordt dan gedacht aan ziekten of eigenschappen die al generaties ‘in de familie’ zitten, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. We proberen het zo duidelijk mogelijk uit te leggen.
Het menselijk lichaam bestaat uit allemaal cellen. In de kern van iedere cel zitten chromosomen. Chromosomen zijn strengen erfelijk materiaal. Ze bestaan uit een stof die we DNA noemen. In dit DNA zit een soort ‘code’ waarin al onze erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd. Het DNA is er in tweevoud: de ene helft van het DNA komt van de vader en de andere helft van de moeder.
Normaal gesproken zijn er per cel 22 gelijke chromosoomparen (autosomen). Het 23e paar is geslachtsbepalend en dus verschillend bij mannen en vrouwen: een vrouw heeft twee X-chromosomen en een man heeft een X- en een Y-chromosoom. Een man erft het Y-chromosoom altijd van zijn vader en het X-chromosoom van zijn moeder. Een vrouw krijgt van haar vader én van haar moeder een X-chromosoom.
Op de chromosomen zitten de genen. Een gen is een stukje DNA. Elk gen beschrijft de code van één erfelijke eigenschap. Bijvoorbeeld hoe je eruitziet en hoe je lichaam werkt. Van elk gen zijn er twee kopieën: één afkomstig van de moeder, één afkomstig van de vader. Als er een verandering in een gen optreedt, heet dat een mutatie.

Autosomaal recessief

Deze stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen (het gen met de mutatie) niet op de geslachtschromosomen X en Y ligt maar op één van de 22 gewone chromosomen. Zowel jongens als meisjes kunnen de aandoening dan krijgen. Ook is de kopie van het gen op het ene chromosoom zwakker dan de functionerende kopie van het gen op het andere chromosoom. Dit wordt bedoeld met de term recessief. Dit betekent meestal dat dragers van één afwijkend gen daarvan geen klachten hebben, omdat het functionerende gen op het andere chromosoom wel werkt en de taak van de afwijkende kopie compenseert.
Om ziekteverschijnselen te hebben zijn er dus twee afwijkende genen nodig. Iemand met een autosomaal recessief overervende stofwisselingsziekte heeft van allebei de ouders precies het afwijkende deel van het gen geërfd. Bij deze persoon zorgt deze combinatie voor een genetische code die niet werkt. Hierdoor kan één enzym of eiwit niet of niet voldoende worden gemaakt. Dat zorgt voor de ziekteverschijnselen.

Dragerschap en overerving

In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan gezonde dragers. Het functionerende gen op het andere chromosoom zorgt ervoor dat het benodigde enzym of eiwit bij hen voldoende wordt aangemaakt. Elk mens heeft ongeveer 25.000 genen. En elk mens draagt meerdere recessief afwijkende genen met zich mee en merkt daar meestal helemaal niets van. De variatie in onze genen, inclusief de recessieve afwijkingen, maken ons tot unieke individuen. Maar zorgen er dus ook voor dat er ineens een kind kan worden geboren met een erfelijke aandoening. Zonder dat die aandoening in de familie voorkomt. Zonder dat ouders wisten dat zij drager waren.
Als we weten dat beide ouders drager zijn van hetzelfde afwijkende gen, weten we dat ze bij elke zwangerschap een kans van 1 op 4 (25%) hebben op een kind met de ziekte. Ook hebben ze een kans van 3 op 4 (75%) op een kind dat niet ziek is. Van de gezonde kinderen zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn of haar DNA.

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

Syndroom van Cockayne
Cockayne syndrome
CKN

Meest gebruikte naam

Syndroom van Cockayne

Kenniskaarten:

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er zijn 2 leden met ‘Syndroom van Cockayne’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

06 July 2021

Autorisatie door:

J. Hoeijmakers

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reacties zijn gesloten.