SCADD (inclusief genvarianten/polymorfismen)

SCADD (inclusief genvarianten/polymorfismen) 

Inleiding

SCADD komt vaak voor, waarschijnlijk bij meer dan 1 per 1000 pasgeboren. Bij kinderen met symptomen, zoals ontwikkelingsachterstand, epilepsie, lage bloedsuikers tijdens vasten en gedragsstoornissen wordt vaak stofwisselingsonderzoek verricht. Omdat SCADD zo vaak voorkomt, wordt SCADD dan ook geregeld bij dit onderzoek vastgesteld. Verhoogde waarden van bepaalde stoffen in bloed (C4-Carnitine) en urine (ethylmalonzuur) doen vermoeden dat de onderzochte persoon SCADD heeft. Om de diagnose SCADD te bevestigen, is DNA onderzoek nodig. Maar omdat het bevestigen van de diagnose SCADD wel het verhoogde C4-Carnitine en ethylmalonzuur, maar niet de ziekteverschijnselen verklaart, moet verder gezocht worden naar een oorzaak van de symptomen, die aanleiding gaven tot het verrichten van het stofwisselingsonderzoek.

Behandeling en zorg voor SCADD zelf is niet nodig. Wel zal behandeling en zorg geboden moeten worden, gericht op de klachten.

SCADD is een zogenoemde ‘vetzuuroxidatiestoornis’, een stoornis in de verbranding van vetten uit het voedsel en uit de vetvoorraden in het lichaam. De vetverbranding is een proces waarbij in veel kleine stapjes de vetten worden afgebroken en omgezet in energie. De eerste vetzuuroxidatiestoornissen werden ontdekt in de jaren ’70 van de vorige eeuw. SCADD is pas in 1987 voor het eerst beschreven. De “ziekte” is dus een relatieve nieuwkomer op het gebied van stofwisselingsziekten. Daardoor is er pas de laatste jaren meer duidelijkheid gekomen over deze stoornis.

Je lichaam heeft energie nodig voor alles wat je doet: voor bewegen, denken en het laten kloppen van je hart. Die energie haalt het uit eten, of uit opgeslagen voorraden in spieren en vet. Maar de koolhydraten, vetten en eiwitten die we eten en hebben opgeslagen, kunnen niet direct gebruikt worden. Ze moeten eerst omgezet worden in een energievorm waar de lichaamscellen mee uit de voeten kunnen. Die stof heet ATP en wordt gemaakt in de energiecentrales van je cellen: de mitochondriën.
De energiecentrales worden allereerst gevoed met suikers (koolhydraten) uit het bloed. Als die opraken, worden de suikervoorraden in de lever en spieren aangesproken en wordt energie vrijgemaakt uit onder andere eiwit. Pas daarna schakelen de mitochondriën over op de verbranding van vetten. Vetten zijn in feite de energievoorraad voor noodgevallen. Al die verschillende vormen van energieproductie worden geregeld door specifieke enzymen.

De verbranding van vetten in de mitochondriën wordt ‘vetzuuroxidatie’ genoemd (oxideren betekent verbranden). Dit betekent dat van de vetzuren steeds een stukje wordt afgebroken, wat energie oplevert. Afhankelijk van de lengte van de vetzuurketens zijn er binnen het mitochondrion verschillende enzymen voor het afbreken van korte, middellange of lange vetzuurketens. Het SCAD enzym hoort bij de enzymen voor de afbraak van korte vetzuurketens. Het breekt aan het einde van de vetverbranding de korte-ketenvetzuren af. Met al deze enzymen kan iets mis zijn (ze ontbreken of werken niet goed). Het gevolg is een vetzuuroxidatiestoornis. Patiënten met een vetzuuroxidatiestoornis kunnen te maken krijgen met ernstige energietekorten, waardoor de hersenen of andere organen beschadigd kunnen raken. Ook kunnen tussenproducten in de vetafbraak zich ophopen in het lichaam en zorgen voor problemen. Bij SCADD blijkt er geen energietekort te zijn. Dit kan verklaard worden door het feit dat in het eerste deel van de vetverbranding al voldoende energie wordt  geproduceerd.

SCAD staat voor ‘short-chain acyl-CoA dehydrogenase’. Dat enzym ontbreekt of werkt onvoldoende bij SCADD patiënten, waardoor ze de korte keten vetzuren niet of onvoldoende kunnen afbreken.

SCADD leek aanvankelijk een zeer zeldzame vetzuuroxidatiestoornis. Maar recent onderzoek laat zien dat de stoornis veel vaker voorkomt dan werd gedacht en dat SCADD met meer dan 1 per 1000 pasgeborenen, een van de meest voorkomende stofwisselingsstoornissen is.

SCADD is waarschijnlijk geen stofwisselingsziekte, maar een stofwisselingsvariant. 

Symptomen

Recent onderzoek heeft laten zien dat er waarschijnlijk geen relatie bestaat tussen SCADD  en de symptomen waarvan tot nu toe werd gedacht dat ze door SCADD veroorzaakt zouden worden. Hierbij gaat het dan om ontwikkelingsachterstand, epilepsie, lage bloedsuikers tijdens vasten en gedragsstoornissen. Dit zijn symptomen waarbij vaak stofwisselingsonderzoek wordt aangevraagd. En omdat SCADD zo vaak voorkomt, zal het dan ook geregeld toevallig worden vastgesteld bij kinderen waarbij vanwege deze symptomen stofwisselingsonderzoek wordt verricht.
Dit is aannemelijk, omdat bij verschillende patiënten een andere oorzaak voor de symptomen werd gevonden, familieleden met SCADD geen klachten hadden en pasgeborenen met SCADD (opgespoord via de hielprik) vrijwel nooit klachten ontwikkelden. Daarnaast weten we dat er heel veel kinderen in Nederland (tenminste 180 pasgeborenen per jaar) geboren worden met SCADD, terwijl er per jaar maar een aantal worden gevonden, omdat zij onderzocht worden vanwege symptomen. En als laatste heeft onderzoek aangetoond dat kinderen met SCADD, zonder lage bloedsuikers in de voorgeschiedenis, prima kunnen vasten en er geen aanwijzingen zijn voor energietekorten.
Dit alles maakt dat SCADD beter beschreven kan worden al een “stofwisselingsvariant”. De stofwisseling loopt op het niveau van de korte-keten vetzuren weliswaar anders, maar dit leidt niet tot ziekte. 
 

Diagnose

Ondanks de bevindingen dat SCADD los lijkt te staan van ziekteverschijnselen, is het nog wel belangrijk de diagnose te stellen. Het kan namelijk helpen om te weten of iemand SCADD heeft, omdat ook andere stofwisselingsstoornissen, die wel tot ziekte kunnen leiden, gepaard kunnen gaan met een verhoogd C4-Carnitine en/of ethylmalonzuur. Om de diagnose SCADD te bevestigen, is DNA onderzoek nodig. Hierbij worden, naast de minder vaak voorkomende mutaties in het SCAD gen, vaak SCAD genvarianten, ook polymorfismen genoemd, vastgesteld. Meer dan 6% van de Nederlandse bevolking heeft van beide ouders deze genvariant geërfd. Dit komt dus heel erg vaak voor en gaat gepaard met normale of licht verhoogde waarden van C4-Carnitine en ethylmalonzuur. In dat laatste geval is er dan weliswaar sprake van SCADD, maar in beide gevallen geldt dat dit niet gepaard gaat met ziekteverschijnselen.

Behandeling

Behandeling en zorg voor SCADD zelf is niet nodig. Maar het is wel belangrijk dat verder wordt gezocht naar een oorzaak van de symptomen, die aanleiding gaven tot het verrichten van het stofwisselingsonderzoek. In het verleden werd dit vaak niet gedaan, omdat gedacht werd dat SCADD de oorzaak van de symptomen was. Nu dat niet zo lijkt te zijn, zal verder moeten worden gezocht naar een oorzaak, want soms is dit een oorzaak waar behandeling voor mogelijk is. Verder zal behandeling en zorg geboden moeten worden, gericht op de klachten. Bij een aantal patiënten met SCADD was bijvoorbeeld het optreden van lage bloedsuikers reden voor stofwisselingsonderzoek. Bij deze patiënten zal niet de SCADD, maar wel het risico op opnieuw een lage bloedsuiker reden zijn voor behandeling en zorg.

Erfelijkheid

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Meestal wordt dan gedacht aan ziekten of eigenschappen die al generaties ‘in de familie’ zitten, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. We proberen het zo duidelijk mogelijk uit te leggen.
Het menselijk lichaam bestaat uit allemaal cellen. In de kern van iedere cel zitten chromosomen. Chromosomen zijn strengen erfelijk materiaal. Ze bestaan uit een stof die we DNA noemen. In dit DNA zit een soort ‘code’ waarin al onze erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd. Het DNA is er in tweevoud: de ene helft van het DNA komt van de vader en de andere helft van de moeder.
Normaal gesproken zijn er per cel 22 gelijke chromosoomparen (autosomen). Het 23e paar is geslachtsbepalend en dus verschillend bij mannen en vrouwen: een vrouw heeft twee X-chromosomen en een man heeft een X- en een Y-chromosoom. Een man erft het Y-chromosoom altijd van zijn vader en het X-chromosoom van zijn moeder. Een vrouw krijgt van haar vader én van haar moeder een X-chromosoom.
Op de chromosomen zitten de genen. Een gen is een stukje DNA. Elk gen beschrijft de code van één erfelijke eigenschap. Bijvoorbeeld hoe je eruitziet en hoe je lichaam werkt. Van elk gen zijn er twee kopieën: één afkomstig van de moeder, één afkomstig van de vader. Als er een verandering in een gen optreedt, heet dat een mutatie.

Autosomaal recessief

Deze stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen (het gen met de mutatie) niet op de geslachtschromosomen X en Y ligt maar op één van de 22 gewone chromosomen. Zowel jongens als meisjes kunnen de aandoening dan krijgen. Ook is de kopie van het gen op het ene chromosoom zwakker dan de functionerende kopie van het gen op het andere chromosoom. Dit wordt bedoeld met de term recessief. Dit betekent meestal dat dragers van één afwijkend gen daarvan geen klachten hebben, omdat het functionerende gen op het andere chromosoom wel werkt en de taak van de afwijkende kopie compenseert.
Om ziekteverschijnselen te hebben zijn er dus twee afwijkende genen nodig. Iemand met een autosomaal recessief overervende stofwisselingsziekte heeft van allebei de ouders precies het afwijkende deel van het gen geërfd. Bij deze persoon zorgt deze combinatie voor een genetische code die niet werkt. Hierdoor kan één enzym of eiwit niet of niet voldoende worden gemaakt. Dat zorgt voor de ziekteverschijnselen.

Dragerschap en overerving

In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan gezonde dragers. Het functionerende gen op het andere chromosoom zorgt ervoor dat het benodigde enzym of eiwit bij hen voldoende wordt aangemaakt. Elk mens heeft ongeveer 25.000 genen. En elk mens draagt meerdere recessief afwijkende genen met zich mee en merkt daar meestal helemaal niets van. De variatie in onze genen, inclusief de recessieve afwijkingen, maken ons tot unieke individuen. Maar zorgen er dus ook voor dat er ineens een kind kan worden geboren met een erfelijke aandoening. Zonder dat die aandoening in de familie voorkomt. Zonder dat ouders wisten dat zij drager waren.
Als we weten dat beide ouders drager zijn van hetzelfde afwijkende gen, weten we dat ze bij elke zwangerschap een kans van 1 op 4 (25%) hebben op een kind met de ziekte. Ook hebben ze een kans van 3 op 4 (75%) op een kind dat niet ziek is. Van de gezonde kinderen zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn of haar DNA.

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

Short-chain acyl-CoA dehydrogenase deficiency
Korte keten acyl-CoA dehydrogenase deficiëntie
SCAD deficiëntie
SCADD

Meest gebruikte naam

SCADD (inclusief polymorfismen)

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er zijn 3 leden met ‘SCADD (inclusief genvarianten/polymorfismen)’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

14 July 2021

Autorisatie door:

dr. B.T. van Maldegem

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reacties zijn gesloten.