Mucolipidose type 3

Mucolipidose type 3 

Inleiding

I-cell ziekte (mucolipidose 2 / ML 2) en het pseudo-Hurler sydroom (mucolipidose 3 / ML 3) zijn twee ziekten waarbij meerdere enzymen niet werken, doordat er een transportenzym ontbreekt. Het verschil tussen beide ziekten is dat bij ML 2 het Enzym volledig ontbreekt, terwijl er bij ML 3 nog wel enige activiteit is. De term mucolipidose is gekozen omdat de patiënten kenmerken vertoonden van twee andere ziektegroepen, de mucopolysacchariden en de sfingolipidoses.
De eerste patiënten met ML 2 werden in 1967 beschreven door de arts Leroy. De naam I-cell ziekte komt van het feit dat de cellen van ML 2 patiënten grote inkepingen hebben (in het Engels: inclusions). Deze cellen werden ‘inclusion cells’ genoemd, afgekort tot I-cells. Hoewel bij ML 3 de symptomen milder zijn, is het enzymdefect hetzelfde als bij ML 2. Ook worden er bij ML 3 patiënten ‘inclusion cells’ gevonden.

Zowel ML 2 als ML 3 zijn erfelijk en zeldzaam. In Nederland zijn maar weinig patiënten bekend. De schatting is dat ML 2 in Nederland voorkomt bij 1 op de 625.000 levendgeboren kinderen en ML 3 bij 1 op de miljoen levendgeboren kinderen.

Lysosomen zijn onderdelen in de cellen van een mens. Het zijn in feite de recyclefabriekjes van de cel, waar oude, kapotte celonderdelen worden afgebroken, of indringers van buiten een kopje kleiner worden gemaakt. In de lysosomen worden grote moleculen in kleinere stukken geknipt, waarna ze elders in de Cel hergebruikt worden. De gemiddeld 300 lysosomen in een cel zijn zeer verschillend. Hun vorm is afhankelijk van welke moleculen ze precies moeten afbreken. Binnen een lysosoom zijn zo’n vijftig enzymen actief, die elk een specifieke stap in het verknippen van stoffen uitvoeren. Als er een enzym ontbreekt of zijn werk niet goed doet, kan één stap in de verwerking niet worden uitgevoerd. De stof die verwerkt had moeten worden, hoopt zich dan op in het lysosoom. Vandaar de naam lysosomale stapelingsziekten: een ongewenste stof stapelt zich op in het lysosoom.
Dit heeft gevolgen voor de cel en uiteindelijk ook voor de organen en het lichaam.

De stoffen die niet worden afgebroken bij mucolipidose 2 en 3, zijn zogenoemde korte ketens van eiwitten en/of suikers en bepaalde vettige stoffen. Het zijn stoffen die het lichaam nodig heeft om te groeien en voor stevigheid. Ze zitten bijvoorbeeld in botten of kraakbeen. In gezonde mensen worden zulke stoffen continu gemaakt en weer afgebroken. Zo worden ze steeds ververst. Het recyclen gebeurt in de lysosomen. Bij patiënten met ML 2 en ML 3 gaat er bij dat afbreken iets mis, waardoor het recycleproces ergens vastloopt.

Bij patiënten met ML 2 en ML 3 zijn er meerdere enzymen in de lysosomen die niet goed werken. Dat komt niet doordat die enzymen niet goed zijn, maar doordat ze niet goed worden opgenomen in de lysosomen. De enzymen worden ergens anders in de cel (of soms buiten de cel) gemaakt en moeten ‘vervoerd’ worden naar de lysosomen waar ze hun recyclewerk kunnen doen. Bij patiënten met ML 2 en ML 3 ontbreekt het eiwit dat moet zorgen dat het vervoeren van de lysosomale enzymen vlekkeloos verloopt. Dat transporteiwit of transportenzym heet N-acetylglucosamine-1-fosfotransferase.

Mucolipiodose 2 en 3 horen bij een groep van ziekten, de zogenaamde ‘glycoproteïne stapelingsziekten’. Bij alle ziekten in deze groep is er een enzymdefect waardoor de lichaamscellen bepaalde korte eiwit-en suikerketens niet kunnen afbreken. De andere ziekten in deze groep zijn:
α-Mannosidose (defect enzym: α-mannosidase)
β-Mannosidose (defect enzym: β-mannosidase)
α-Fucosidose (defect enzym: α-fucosidase)
Sialidose (defect enzym: α-neuraminidase)
Galactosialidose (defect enzym: beschermfactor voor neuraminidase en β-galactosidase)
Aspartylglucosaminurie (defect enzym: aspartylglucosaminidase)
Schindler’s ziekte (defect enzym: α-N-galactosaminidase)

Met ‘stofwisseling’ wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren, botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De Stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen. Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden omgezet en hoopt zich op in de cel, terwijl het mogelijk belangrijke product te weinig of soms helemaal niet meer gevormd wordt. Deze situatie kan tot min of meer ernstige klachten leiden. Dit noemen we een stofwisselingsziekte.

Symptomen

Hoewel ML 3 wordt veroorzaakt door hetzelfde enzymdefect als ML 2, zijn de symptomen veel milder. De eerste verschijnselen van de ziekte treden op als het kind tussen de twee en vier jaar oud is. Meestal heeft een kind dan voornamelijk problemen met de botten en gewrichten, waardoor soms eerst aan een vroege vorm van reuma wordt gedacht.

In de eerste jaren is het grootste probleem de stijfheid en bewegingsmoeilijkheden in handen en schouders. Daar komen na een paar jaar soortgelijke problemen bij. De kinderen ontwikkelen klauwvormige handen en een kromme wervelkolom. Ze krijgen een typisch waggelend loopje, doordat hun heupgewricht wegslijt. Ook worden ze vaak niet erg groot.

Hun gelaatstrekken kunnen soms een beetje grof zijn. Ze hebben vaak een dikke huid. Er kan een overmatige tandvleesgroei zijn en de tanden kunnen dicht op elkaar staan. Meestal hebben ze op jonge leeftijd geen oogproblemen, maar vanaf een jaar of zeven kunnen die wel optreden (en langzaam verergeren). Vanaf hun tiende jaar kan het hart door de ziekte aangedaan zijn.

ML 3 kan ook een invloed hebben op de verstandelijke ontwikkeling van de patiënt, maar die is veel minder groot dan de lichamelijke invloed. De meerderheid van de patiënten heeft echter wel een lichte leerachterstand of een geestelijke handicap.

Het verloop van ML 3 is een stuk milder en langzamer dan dat van ML 2. In het verloop van de ziekte zijn het vooral de skeletvergroeiingen en de afbraak van botten en gewrichten die langzaam steeds erger worden. De meeste patiënten worden volwassen, na een normale puberteit. Er is weinig bekend over hoe de ziekte kan verlopen na het dertigste levensjaar.

Diagnose

Bij ML 2 en ML 3 worden geen grote hoeveelheden van een stof in de urine gevonden. Daarom moet de diagnose gesteld worden door onderzoek naar lichaamscellen. Meestal wordt een stukje huid afgenomen, om daarin de enzymactiviteit van het ontbrekende enzym te meten. Er kan daarbij geen onderscheid gemaakt worden tussen ML 2 en ML 3, omdat bij die ziekten hetzelfde enzym defect is.

Prenataal onderzoek is mogelijk, maar de meest betrouwbare procedures nemen vaak veel tijd in beslag, waardoor de diagnose te laat kan komen om de zwangerschap eventueel nog af te breken.

Behandeling

Op dit moment is er geen behandeling bekend om de gevolgen van mucolipidose 3 stoppen of de ziekte te genezen. Alles is gericht op het bestrijden van de symptomen van de ziekte, om kinderen zo aangenaam mogelijk te laten leven. Omdat met name het skelet en de gewrichten zijn aangedaan bij ML 3, kunnen orthopedische ingrepen en fysiotherapie de symptomen verlichten.

Erfelijkheid

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Meestal wordt dan gedacht aan ziekten of eigenschappen die al generaties ‘in de familie’ zitten, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. We proberen het zo duidelijk mogelijk uit te leggen.
Het menselijk lichaam bestaat uit allemaal cellen. In de kern van iedere cel zitten chromosomen. Chromosomen zijn strengen erfelijk materiaal. Ze bestaan uit een stof die we DNA noemen. In dit DNA zit een soort ‘code’ waarin al onze erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd. Het DNA is er in tweevoud: de ene helft van het DNA komt van de vader en de andere helft van de moeder.
Normaal gesproken zijn er per cel 22 gelijke chromosoomparen (autosomen). Het 23e paar is geslachtsbepalend en dus verschillend bij mannen en vrouwen: een vrouw heeft twee X-chromosomen en een man heeft een X- en een Y-chromosoom. Een man erft het Y-chromosoom altijd van zijn vader en het X-chromosoom van zijn moeder. Een vrouw krijgt van haar vader én van haar moeder een X-chromosoom.
Op de chromosomen zitten de genen. Een gen is een stukje DNA. Elk gen beschrijft de code van één erfelijke eigenschap. Bijvoorbeeld hoe je eruitziet en hoe je lichaam werkt. Van elk gen zijn er twee kopieën: één afkomstig van de moeder, één afkomstig van de vader. Als er een verandering in een gen optreedt, heet dat een mutatie.

Autosomaal recessief

Deze stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen (het gen met de mutatie) niet op de geslachtschromosomen X en Y ligt maar op één van de 22 gewone chromosomen. Zowel jongens als meisjes kunnen de aandoening dan krijgen. Ook is de kopie van het gen op het ene chromosoom zwakker dan de functionerende kopie van het gen op het andere chromosoom. Dit wordt bedoeld met de term recessief. Dit betekent meestal dat dragers van één afwijkend gen daarvan geen klachten hebben, omdat het functionerende gen op het andere chromosoom wel werkt en de taak van de afwijkende kopie compenseert.
Om ziekteverschijnselen te hebben zijn er dus twee afwijkende genen nodig. Iemand met een autosomaal recessief overervende stofwisselingsziekte heeft van allebei de ouders precies het afwijkende deel van het gen geërfd. Bij deze persoon zorgt deze combinatie voor een genetische code die niet werkt. Hierdoor kan één enzym of eiwit niet of niet voldoende worden gemaakt. Dat zorgt voor de ziekteverschijnselen.

Dragerschap en overerving

In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan gezonde dragers. Het functionerende gen op het andere chromosoom zorgt ervoor dat het benodigde enzym of eiwit bij hen voldoende wordt aangemaakt. Elk mens heeft ongeveer 25.000 genen. En elk mens draagt meerdere recessief afwijkende genen met zich mee en merkt daar meestal helemaal niets van. De variatie in onze genen, inclusief de recessieve afwijkingen, maken ons tot unieke individuen. Maar zorgen er dus ook voor dat er ineens een kind kan worden geboren met een erfelijke aandoening. Zonder dat die aandoening in de familie voorkomt. Zonder dat ouders wisten dat zij drager waren.
Als we weten dat beide ouders drager zijn van hetzelfde afwijkende gen, weten we dat ze bij elke zwangerschap een kans van 1 op 4 (25%) hebben op een kind met de ziekte. Ook hebben ze een kans van 3 op 4 (75%) op een kind dat niet ziek is. Van de gezonde kinderen zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn of haar DNA.

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

Mucolipidose 3 alfa/beta
Mucolipidosis 3 alpha/beta
UDP-N-acetylglucosamine-1-phosphotransferase subunit gamma deficiency
ML 3
Pseudo-Hurler syndroom
Pseudo-Hurler polydystrofie

Meest gebruikte naam

Mucolipidose 3

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er zijn 4 leden met ‘Mucolipidose type 3’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

07 June 2021

Autorisatie door:

prof. dr. F.A. Wijburg

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reacties zijn gesloten.