MPS 3c, Sanfilippo C

MPS 3c, Sanfilippo C 

Inleiding

De eerste die een patiënt met MPS 3 beschreef, was niet de Amerikaanse arts Sanfilippo, maar deze heeft wel zijn naam aan het syndroom mogen geven. Er zijn vier typen van de ziekte, aangeduid met type A t/m D. Elk type wordt veroorzaakt door het ontbreken van een ander enzym, maar de symptomen zijn niet verschillend. Daarom worden de symptomen van het syndroom van Sanfilippo allemaal beschreven in de ziektebeschrijving over MPS 3.

Zeldzaamheid
MPS 3 is, net als alle stofwisselingsziekten, zeldzaam. In Nederland komen alle typen samen voor bij ongeveer 1 op de 53.000 geborenen. De meeste patiënten hebben type A. Type C komt voor bij ongeveer 1 op de 475.000 levendgeboren kinderen. Omdat niet alle patiënten met Sanfilippo duidelijke kenmerken hebben, is het mogelijk dat ze niet altijd snel herkend worden als MPS 3 patiënt.

Lysosomale stapelingsziekten
Lysosomen zijn onderdelen in de cellen van een mens. Het zijn in feite de recyclefabriekjes van de cel, waar oude, kapotte celonderdelen worden afgebroken, of indringers van buiten een kopje kleiner worden gemaakt. In de lysosomen worden grote moleculen in kleinere stukken geknipt, waarna ze elders in de Cel hergebruikt worden. De gemiddeld 300 lysosomen in een cel zijn zeer verschillend. Hun vorm is afhankelijk van welke moleculen ze precies moeten afbreken. Binnen een lysosoom zijn zo’n vijftig enzymen actief, die elk een specifieke stap in het verknippen van stoffen uitvoeren. Als er een Enzym ontbreekt of zijn werk niet goed doet, kan één stap in de verwerking niet worden uitgevoerd. De stof die verwerkt had moeten worden, hoopt zich dan op in het lysosoom. Vandaar de naam lysosomale stapelingsziekten: een ongewenste stof stapelt zich op in het lysosoom. Dit heeft gevolgen voor de cel en uiteindelijk ook voor de organen en het lichaam.

Te veel mucopolysacchariden
Het molecuul dat niet kan worden verwerkt bij MPS 3 is een zogeheten mucopolyssaccharide, een lange keten van eiwitten en suikers. Mucopolyssacchariden geven stevigheid aan bindweefsel, kraakbeen en bloedvaten en zijn een onderdeel van het hoornvlies (de buitenste laag van het oog). Ze heten ook wel glycosaminoglycanen (GAG’s). Normaal gesproken worden GAG’s continu nieuw aangemaakt door het lichaam en worden de oude GAG’s afgebroken. Bij MPS 3 gaat er bij dat afbreken iets mis.

MPS 3 is onderdeel van een ‘familie’ van ziektebeelden. Bij al deze ziekten zijn de lysosomen niet in staat om GAG’s te recyclen omdat er één enzym ontbreekt, waardoor het afbraakproces ergens vastloopt. Deze familie van ziektebeelden noemen we mucopolysaccharidosen (afgekort MPS).

Het defecte of ontbrekende enzym
Het grote molecuul dat bij MPS 3 niet wordt afgebroken, heet heparan sulfaat. Bij de afbraak van dit molecuul zijn verschillende enzymen betrokken. Bij Sanfilippo is er een fout in één van vier enzymen. Daarom zijn er vier typen, waarvan de verschijnselen niet te onderscheiden zijn. Het enzym dat ontbreekt bij Sanfilippo C is N-Ac-transferase.

Andere mucopolysaccharidosen
Naast MPS 3 zijn er nog zes aandoeningen waarbij mucopolysacchariden zich in de lysosomen ophopen. Ze zijn allemaal vernoemd naar de eerste arts die de betreffende ziekte als eerste beschreef, maar hebben ook een nummer (MPS 1 t/m 7). Sommige zijn nog onder te verdelen in verschillende vormen, net als MPS 3. Op een rijtje:
 MPS 1 (Hurler/Scheie)
 MPS 2 (Hunter)
 MPS 4 (Morquio)
 MPS 6 (Maroteaux-Lamy)
 MPS 7 (Sly)

(MPS 5 bestaat niet meer. In eerste instantie werd het syndroom van Scheie MPS 5 genoemd, maar toen bleek dat bij het syndroom van Scheie hetzelfde enzymdefect de boosdoener is, werd die ziekte onder MPS 1 geclassificeerd.)

Symptomen

Bij MPS 3 is de verstandelijke ontwikkeling van de patiënt het meest aangedaan. De meeste patiënten ontwikkelen zich in hun eerste levensjaren normaal, maar kunnen iets vaker dan normaal lies- of navelbreuken hebben.  De diagnose wordt vaak gesteld als het kind tussen de twee en zes jaar oud is. Een signaal is dat het kind verstandelijk achter raakt in de ontwikkeling. Ook komen hyperactiviteit en agressief gedrag vaak voor, , evenals KNO-infecties (verkoudheden, oorontstekingen).
Naarmate de ziekte vordert, gaat de patiënt verstandelijk alleen nog maar achteruit. Het kind verliest vaardigheden zoals spreken, zindelijkheid en zelfstandig eten. De patiënten worden steeds onrustiger. Ze kunnen vaak moeilijk stilzitten en hebben soms periodes waarin ze nauwelijks slapen. Ze verliezen steeds meer het contact met hun omgeving en vertonen vaak moeilijk en agressief gedrag, soms met veel schreeuwen.

In een nog verder gevorderd stadium begrijpen ze bijna niets meer, en verliezen ze ook allerlei lichamelijke vaardigheden. Ze kunnen steeds minder goed lopen, waardoor ze uiteindelijk in een rolstoel belanden.

De lichamelijke kenmerken zijn veel minder prominent dan bij andere vormen van MPS. Kinderen vertonen soms overmatige haargroei en kunnen enigszins grove gelaatstrekken hebben, maar dit is niet bij alle patiënten het geval. Soms hebben ze last van lichte stijfheid in de gewrichten en bij sommige patiënten ontstaat in de tienerjaren pijn in één of beide heupen. De oorzaak van deze pijn is een afwijkende heupkop. In de kinderjaren kan de lever iets vergroot zijn. Bij de ernstigere vormen van het syndroom komt gehoorverlies veel voor.

Zoals gezegd zijn de symptomen niet kenmerkend voor een bepaald type van Sanfilippo. Toch kunnen er wel grote verschillen zijn, ook tussen patiënten van hetzelfde type. Er zijn patiënten met een veel milder beloop van de ziekte. Het is echter niet goed mogelijk om bij de diagnose te voorspellen in welke categorie een patiënt zal vallen.

Een levensverwachting van patiënten met het syndroom van Sanfilippo is moeilijk te geven, omdat het verloop sterk kan verschillen van patiënt tot patiënt. Sommigen sterven al voor hun tiende of twintigste levensjaar, maar er zijn ook patiënten bekend die veel ouder worden.


 

Diagnose

De vier typen Sanfilippo hebben dezelfde klinische kenmerken, maar worden veroorzaakt door defecten aan telkens een ander enzym. Deze enzymen zijn:
Sanfilippo A: heparan N-sulfatase;
Sanfilippo B: α-N-acetylglucosaminidase;
Sanfilippo C: N- Ac-transferase;
Sanfilippo D: N-Acetyl-glucosamine-6-sulfatase.

De MPS 3 kan gesteld worden aan de hand van onderzoek van bloed en urine, waarin de afwezigheid van één van de bovengenoemde enzymen kan worden aangetoond. De reden voor dit onderzoek is meestal het achterblijven van de mentale en lichamelijke ontwikkeling van het kind. Ook probleem- of extreem druk gedrag kan een reden zijn om een kind op MPS 3 te testen.

Omdat MPS 3 een erfelijke aandoening is, kunnen ook broertjes en zusjes aangedaan zijn. Zij kunnen worden getest als de diagnose bij één lid van het gezin is gesteld. Prenataal onderzoek is mogelijk om de ziekte bij eventuele volgende kinderen te detecteren.

Behandeling

Op dit moment is er geen behandeling bekend om de gevolgen van het MPS 3 te stoppen. Alles is gericht op het bestrijden van de symptomen van de ziekte, om kinderen zo aangenaam mogelijk te laten leven zo lang het kan. Er is prenataal onderzoek naar deze ziekte mogelijk in door middel van een vlokkentest of vruchtwaterpunctie.

Enzymvervangingstherapie is bij MPS 3 vooralsnog geen optie, omdat daarmee alleen lichamelijke problemen geremd kunnen worden (en die zijn bij Sanfilippo vaak het minste probleem).

Vanwege hun moeilijke gedrag en de sterke achteruitgang van hun verstandelijke vermogens worden veel MPS 3 patiënten opgenomen in instellingen voor verstandelijk gehandicapten. Daar hebben ze veel baat bij een individueel dagprogramma dat op hun wisselende stemmingen en behoeften is aangepast.

Erfelijkheid

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Meestal wordt dan gedacht aan ziekten of eigenschappen die al generaties ‘in de familie’ zitten, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. We proberen het zo duidelijk mogelijk uit te leggen.
Het menselijk lichaam bestaat uit allemaal cellen. In de kern van iedere cel zitten chromosomen. Chromosomen zijn strengen erfelijk materiaal. Ze bestaan uit een stof die we DNA noemen. In dit DNA zit een soort ‘code’ waarin al onze erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd. Het DNA is er in tweevoud: de ene helft van het DNA komt van de vader en de andere helft van de moeder.
Normaal gesproken zijn er per cel 22 gelijke chromosoomparen (autosomen). Het 23e paar is geslachtsbepalend en dus verschillend bij mannen en vrouwen: een vrouw heeft twee X-chromosomen en een man heeft een X- en een Y-chromosoom. Een man erft het Y-chromosoom altijd van zijn vader en het X-chromosoom van zijn moeder. Een vrouw krijgt van haar vader én van haar moeder een X-chromosoom.
Op de chromosomen zitten de genen. Een gen is een stukje DNA. Elk gen beschrijft de code van één erfelijke eigenschap. Bijvoorbeeld hoe je eruitziet en hoe je lichaam werkt. Van elk gen zijn er twee kopieën: één afkomstig van de moeder, één afkomstig van de vader. Als er een verandering in een gen optreedt, heet dat een mutatie.

Autosomaal recessief

Deze stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen (het gen met de mutatie) niet op de geslachtschromosomen X en Y ligt maar op één van de 22 gewone chromosomen. Zowel jongens als meisjes kunnen de aandoening dan krijgen. Ook is de kopie van het gen op het ene chromosoom zwakker dan de functionerende kopie van het gen op het andere chromosoom. Dit wordt bedoeld met de term recessief. Dit betekent meestal dat dragers van één afwijkend gen daarvan geen klachten hebben, omdat het functionerende gen op het andere chromosoom wel werkt en de taak van de afwijkende kopie compenseert.
Om ziekteverschijnselen te hebben zijn er dus twee afwijkende genen nodig. Iemand met een autosomaal recessief overervende stofwisselingsziekte heeft van allebei de ouders precies het afwijkende deel van het gen geërfd. Bij deze persoon zorgt deze combinatie voor een genetische code die niet werkt. Hierdoor kan één enzym of eiwit niet of niet voldoende worden gemaakt. Dat zorgt voor de ziekteverschijnselen.

Dragerschap en overerving

In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan gezonde dragers. Het functionerende gen op het andere chromosoom zorgt ervoor dat het benodigde enzym of eiwit bij hen voldoende wordt aangemaakt. Elk mens heeft ongeveer 25.000 genen. En elk mens draagt meerdere recessief afwijkende genen met zich mee en merkt daar meestal helemaal niets van. De variatie in onze genen, inclusief de recessieve afwijkingen, maken ons tot unieke individuen. Maar zorgen er dus ook voor dat er ineens een kind kan worden geboren met een erfelijke aandoening. Zonder dat die aandoening in de familie voorkomt. Zonder dat ouders wisten dat zij drager waren.
Als we weten dat beide ouders drager zijn van hetzelfde afwijkende gen, weten we dat ze bij elke zwangerschap een kans van 1 op 4 (25%) hebben op een kind met de ziekte. Ook hebben ze een kans van 3 op 4 (75%) op een kind dat niet ziek is. Van de gezonde kinderen zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn of haar DNA.

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

Syndroom van Sanfilippo
Heparan-alpha-glucosaminide N-acetyltransferase deficiency
Mucopolysaccharidose Type III
MPS 3
Oligophrenische polydystrofie

Het hier besproken subtype van het syndroom is Sanfilippo C, waarbij het enzym N-Ac-transferase ontbreekt.

Meest gebruikte naam

MPS 3c, Sanfilippo C

Kenniskaarten:

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er zijn 6 leden met ‘MPS 3c, Sanfilippo C’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

27 June 2021

Autorisatie door:

prof. dr. F.A. Wijburg

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reacties zijn gesloten.