MCADD

MCADD 

Inleiding

MCADD is een zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. Met ‘stofwisseling’ wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren, botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen. Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden omgezet en hoopt zich op in de cel, terwijl het mogelijk belangrijke product te weinig of soms helemaal niet meer gevormd wordt. Deze situatie kan tot min of meer ernstige klachten leiden. Dit noemen we een stofwisselingsziekte.

Vetzuuroxidatiestoornissen
MCADD is een zogenoemde ‘vetzuuroxidatiestoornis’, een stoornis in de verbranding van vetten uit het voedsel en uit de vetvoorraden in het lichaam. De vetverbranding is een proces waarbij in veel kleine stapjes de vetten worden afgebroken en omgezet in energie. De ziekte is een relatieve nieuwkomer op het gebied van stofwisselingsziekten. De eerste vetzuuroxidatiestoornissen werden ontdekt in de jaren ’70 van de vorige eeuw. MCADD werd voor het eerst beschreven in 1976. Vetzuuroxidatiestoornissen bleven lang onopgemerkt, omdat het belang van de vetzuurstofwisseling onbekend was. Mensen halen hun energie in eerste instantie uit suikers die circuleren in het bloed en – in iets andere vorm – zijn opgeslagen in de spieren. Alleen wanneer iemand lange tijd niets eet, spreekt hij zijn vetvoorraad aan. Patiënten met MCADD zijn niet of minder goed in staat om energie uit het opgeslagen vet te halen. Meestal blijkt dan ook dat een kind MCADD heeft als de voedingspauzes langer worden en het kind infecties krijgt. Op dat moment ontstaat er een gebrek aan energie uit de vetstofwisseling. Daardoor wordt een extra beroep gedaan op de energievorming uit suikers. Als die voorziening tekortschiet, ontstaat een lage bloedsuikerconcentratie, een hypoglykemie.

Mitochondriën
Het lichaam heeft energie nodig voor alles wat het doet: voor bewegen, denken en het laten kloppen van het hart. Die energie haalt het uit eten, of uit opgeslagen voorraden in spieren en vet. Maar de koolhydraten, vetten en eiwitten die we eten en opslaan, kunnen niet direct gebruikt worden. Ze moeten eerst omgezet worden in een energievorm waar de lichaamscellen mee uit de voeten kunnen. Die stof heet ATP en wordt gemaakt in de energiecentrales van de cellen: de mitochondriën.
Deze energiecentrales worden tijdens een periode van niet-eten (vasten) allereerst gevoed met suikers (koolhydraten) uit het bloed. Als die opraken, worden de voorraden in de spieren aangesproken. Pas daarna schakelen de mitochondriën over op de verbranding van vetten. Vetten zijn in feite de energievoorraad voor noodgevallen. Al die verschillende vormen van energieproductie worden geregeld door specifieke enzymen.

Vetzuuroxidatie
De verbranding van vetten in de mitochondriën wordt ‘vetzuuroxidatie’ genoemd (oxideren is in feite een moeilijk woord voor verbranden). Om energie uit vetten te kunnen halen, zijn er in de mitochondriën twee stappen nodig: na omzetting van het vet tot vetzuren moeten deze vetzuren allereerst het mitochondrion binnenkomen en daarna moeten ze verbrand (afgebroken) worden. Bij die laatste stap wordt ATP gemaakt.
Voor beide stappen zijn meerdere enzymen nodig. In de eerste stap is carnitine een belangrijke stof. Carnitine kan worden beschouwd als een soort gids die de vetzuren nodig hebben om het mitochondrion binnen te komen. Verschillende enzymen koppelen de vetzuren aan carnitine en ontkoppelen ze weer als ze op hun plaats zijn.
Het daadwerkelijke afbreken van de vetzuren in het mitochondrion gebeurt ook weer in verschillende stappen. Omdat niet alle vetzuren gelijk zijn, zijn er binnen het mitochondrion verschillende enzymen voor het afbreken van korte, middellange of lange vetzuurketens.
Met al deze enzymen kan iets mis zijn (ze ontbreken bijvoorbeeld of werken niet goed). Het gevolg is een vetzuuroxidatiestoornis. Patiënten met een vetzuuroxidatiestoornis kunnen te maken krijgen met ernstige energietekorten, waardoor de hersenen of andere organen beschadigd kunnen raken. Ook kunnen tussenproducten in de vetafbraak zich ophopen in het lichaam, bijvoorbeeld als vetdruppeltjes.

Het defecte of ontbrekende enzym
MCAD staat voor ‘medium chain acyl co-enzyme A dehydrogenase’ of ‘middellange keten acyl-CoA dehydrogenase. Dat enzym ontbreekt bij MCADD patiënten (de laatste D staat voor deficiëntie), waardoor ze niet in staat zijn om vetzuren met een specifieke ketenlengte, de middellangeketenvetzuren, af te breken.

Zeldzaamheid
MCADD is nu bekend als een relatief vaak voorkomende stofwisselingsziekte. Recent is vastgesteld dat deze ziekte voorkomt bij 1 op 12.100 levendgeboren kinderen in Nederland. Dat betekent dat er jaarlijks 15-17 kinderen worden geboren met deze aandoening. Bovendien is vast komen te staan dat een groot deel van de patiënten in Nederland niet wordt gediagnosticeerd in de ziekenhuizen, bijvoorbeeld omdat de verschijnselen niet herkend worden, of omdat ze niet specifiek zijn of te mild. Voordat de ziekte bekend was, is een behoorlijk aantal patiëntjes waarschijnlijk gestorven aan bijvoorbeeld wiegendood, die dus mogelijk door MCADD werd veroorzaakt.

Symptomen

Kinderen en ouders worden meestal overvallen door de symptomen van MCADD. De symptomen kunnen optreden wanneer er in de zuigelingen- of peutertijd met de avondvoeding wordt gestopt en de voedingspauze langer wordt. Of wanneer kinderen meer energie gebruiken dan normaal doordat ze een ogenschijnlijk onschuldige infectie doormaken. Doordat er geen extra energie uit de vetzuren gehaald kan worden, ontstaat gemakkelijk een te laag bloedsuikergehalte. Kinderen kunnen dan ernstig gaan braken, stuipen krijgen en in coma raken. Zo komen zij uiteindelijk vaak op de eerste hulp van het ziekenhuis terecht. Na toediening van glucose herstelt het kind zich vaak weer uit de coma, meestal zonder restschade.
Helaas kan het ook gebeuren dat het kind in ernstige toestand wordt gevonden en dat het al te laat is. In dat geval wordt soms pas bij een volgend kind met dezelfde symptomen de diagnose MCADD gesteld.

Wanneer de diagnose is gesteld is de prognose over het algemeen gunstig, omdat de ziekteverschijnselen uitblijven zolang het kind regelmatig eet. Bij ziekte (bijvoorbeeld infectie of koorts) heeft het lichaam extra energie nodig. In dat geval is een aangepast voedingsregime meestal voldoende om symptomen van MCADD te voorkomen.
In een minderheid van de ontsporingen bij jonge kinderen met MCADD is het nodig om hen op te nemen voor intraveneuze behandeling met glucose. Dat is met name nodig als orale toediening van voeding niet meer kan in het geval van spugen en voedselweigering.

Diagnose

De diagnose MCAD-deficiëntie kan gesteld worden met laboratoriumtesten. Daarbij wordt het precieze enzymdefect gemeten in witte bloedcellen of in een stukje huid, en wordt er DNA-analyse gedaan.

Hielprik
In 2007 is de screening van pasgeborenen (de ‘hielprik’) uitgebreid. Het bloed van pasgeborenen wordt nu ook onderzocht op MCADD. Dat kan betekenen dat de diagnose al kan worden gesteld voordat het patiëntje ziekteverschijnselen vertoont. Daarmee kan de behandeling zo snel mogelijk worden ingezet, zodat schade door ontregelingen wordt voorkomen.

Behandeling

Net als alle andere stofwisselingsziekten is MCADD niet te genezen omdat het erfelijk is. Wel is de ziekte goed te behandelen, waardoor de gevolgen beperkt worden gehouden. Het belangrijkste onderdeel van de behandeling is weten dat er sprake is van MCADD en vervolgens het vasten te voorkomen, met name in risico-omstandigheden. Met andere woorden: kinderen met MCADD moeten eten met niet te lange tussenpozen. Hoe precies de voeding geregeld moet zijn, verschilt per kind. Sommige kinderen hebben extreem strakke voedingstijden plus nog een extra late avondvoeding of bij heel jonge kinderen een nachtvoeding nodig om de symptomen van MCADD te voorkomen.

Naast een regelmatig voedingsregime moet het kind ook een dieet volgen. Met een diëtiste wordt een speciaal dieet met weinig vet en relatief meer koolhydraten samengesteld. Daarnaast krijgen de kinderen vaak medicijnen. Een carnitinepreparaat wordt echter alleen voorgeschreven als de MCADD-patiëntjes een tekort aan carnitine hebben. De tijd tussen het starten met vasten en het begin van de symptomen verschilt per kind en is groter naarmate het kind ouder wordt. De belangrijkste factor die hierop van invloed is, is het krijgen van koorts bij een infectie. Hierdoor wordt de voedselinname slechter (overgeven) waardoor de maximaal mogelijke tijd van vasten aanmerkelijk korter kan worden.

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Dat betekent dat je met de ziekte geboren wordt en er niet van kan genezen. Het betekent meestal dat de ouders van tevoren niet hadden kunnen weten dat hun kind ziek zou worden. In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan ‘gezonde dragers’ van een afwijkend gen en hebben daarnaast het normale gen (zie onder). Het normale gen zorgt ervoor dat het benodigde enzym bij hen voldoende aangemaakt wordt. Een kind met de ziekte heeft twee afwijkende genen en mist het normale gen. Daardoor wordt het enzym niet of onvoldoende aangemaakt.

Autosomaal recessief
In elke cel van het lichaam is het erfelijke materiaal in tweevoud aanwezig en verdeeld in chromosoomparen. Er zijn per cel 22 gelijke paren (autosomen), terwijl het 23e paar geslacht-bepalend is en verschilt tussen een vrouw, die twee X chromosomen heeft, en een man, die een X en een Y chromosoom heeft.

Deze stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen op één van de 22 gewone chromosomen ligt. Zowel jongens als meisjes kunnen ziek zijn. Daarnaast is een afwijkend gen op een van de twee chromosomen ondergeschikt aan het normale gen op het andere chromosoom (recessief), dat in dat geval compenseert. Dit gebeurt bij een ‘gezonde drager’, die de ziekte dus niet zal krijgen. Er zijn dus twee afwijkende genen nodig om de ziekte te krijgen. Een kind met een stofwisselingsziekte heeft van allebei zijn ouders een afwijkend gen geërfd.

De ouders zijn niet ziek, maar zijn wel drager van het afwijkende gen. Daardoor hebben ze 25% kans (1 op 4) bij elke zwangerschap op een kind met de ziekte. Ook hebben ze 75% (3 op 4) kans op een kind dat niet ziek is. Daarvan zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn of haar DNA.

Patiënten met MCADD kunnen met een goede behandeling normaal volwassen worden en zelf kinderen krijgen. Het hangt van hun partner af of hun kinderen de ziekte ook zullen hebben. Als de partner de genafwijking niet heeft, wordt geen van de kinderen ziek, maar zijn ze wel allemaal drager van het afwijkende gen. Als de partner de genafwijking wel heeft, is er 50% kans op een ziek kind en 50% kans op een gezond kind dat wel drager is. Wanneer de partner geen familie is, is de kans dat hij of zij dezelfde genafwijking heeft zeer klein.

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

Middellange keten acyl-CoA-dehydrogenasedeficiëntie
Medium chain acyl co-enzyme A dehydrogenase (deficiency)
Medium chain acyl CoA dehydrogenase (deficiency)
Middenketen acyl-CoA-dehydrogenase (deficiëntie)
MCAD (deficiëntie)
MCADD

Meest gebruikte naam

MCADD

Zorgpad:


Zorgpad MCADD vr patienten

Zorgpad MCADD vr patienten

Zorgpad MCADD vr professionals

Zorgpad MCADD vr professionals

Kenniskaarten:

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er zijn 80 leden met ‘MCADD’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

23 July 2018

Autorisatie door:

dr. T. Derks en prof. G.P.A. Smit

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reageren is niet mogelijk