L-2-Hydroxyglutaarzuur

L-2-Hydroxyglutaarzuur 

Inleiding

L-2-Hydroxyglutaaracidurie (L-2-HGA) is een zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. Met ‘stofwisseling’ wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren, botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De Stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen. Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden omgezet en hoopt zich op in de cel, terwijl het mogelijk belangrijke product te weinig of soms helemaal niet meer gevormd wordt. Deze situatie kan tot min of meer ernstige klachten leiden. Dit noemen we een stofwisselingsziekte.

Achtergrond
Rechts- en linksdraaiend 2-hydroxyglutaarzuur
De stof 2-hydroxyglutaarzuur (2-HG) is een bijzondere stof. Er zijn twee varianten van, die elkaars spiegelbeeld zijn. De varianten worden D-2-hydroxyglutaarzuur (D-2-HG) en L-2-hydroxyglutaarzuur (L-2-HG) genoemd. De D en de L verwijzen naar een rechtse en linkse oriëntatie van de stof.
Al in de jaren ’70 van de vorige eeuw was bekend dat 2-HG een normaal bestanddeel is van menselijke urine, maar in 1980 werden twee patiënten beschreven die abnormaal veel 2-HG in hun urine hadden. Bij nader onderzoek bleek dat ze niet dezelfde soort 2-HG uitscheidden. Dit leidde tot de definitie van twee verschillende stofwisselingsziekten: D-2-hydroxyglutaaracidurie (D-2-HGA) en L-2-hydroxyglutaaracidurie (L-2-HGA). In dit document wordt alleen de tweede beschreven. Van D-2-HGA is een aparte ziektebeschrijving beschikbaar.

Het defecte of ontbrekende enzym
Patiënten met L-2-HGA scheiden grote hoeveelheden L-2-hydroxyglutaarzuur uit in hun urine. Dit wordt veroorzaakt door een enzymdefect; L-2-HG dehydrogenase. Dit enzym zet L-2-HG om in 2-ketoglutaarzuur en als gevolg van het niet-functioneren van dit enzym, stapelt L-2-HG in cellen en lichaamsvloeistoffen.

Zeldzaamheid
L-2-HGA is een zeer zeldzame stofwisselingsziekte, waarvan slechts ongeveer 100 patiënten op de wereld bekend zijn.

 

Symptomen

Er is een grote variatie in de ernst van de symptomen. De meeste patiënten lijken zich in eerste instantie normaal te ontwikkelen. Bij sommige patiënten zijn de eerste klachten een achterstand bij het leren lopen of de spraakontwikkeling. Vaak lopen de patiëntjes waggelend. Ook kunnen ze koortsaanvallen krijgen.
Het kan ook zijn dat achterblijvende schoolprestaties het eerste Symptoom zijn.

Vrijwel alle patiënten vertonen op een gegeven moment symptomen die met afwijkingen in de kleine hersenen te maken hebben, zoals coördinatiestoornissen en spraakstoornissen. Ook hebben ze vaak een verstandelijke beperking, epileptische aanvallen en spasticiteit. In sommige gevallen is het verloop (langzaam) progressief, dat wil zeggen dat de symptomen verergeren.

Diagnose

Op grond van de symptomen, kan een (metabool) kinderarts een screenend onderzoek van de urine aanvragen. Daarbij onderzoekt een laboratorium de urine onder andere op organische zuren. Als daaruit blijkt dat de patiënt grote hoeveelheden van de stof 2-hydroxyglutaarzuur (2-HG) in de urine heeft, is verder onderzoek noodzakelijk. Er zijn immers twee varianten van 2-HG, die elk horen bij een andere stofwisselingsziekte. Met een speciale scheidingsmethode kan het laboratorium onderscheid maken tussen de twee varianten. Zo wordt duidelijk of de patiënt D-2-HGA heeft, of L-2-HGA.
Vervolgens kan diagnostiek op DNA niveau worden ingezet als bevestiging van de diagnose, omdat het gen dat voor het enzym L-2-HG dehydrogenase codeert, bekend is.

Prenatale diagnose
Als er eerder in een gezin een kindje is geboren met L-2-HGA, is het mogelijk om bij een volgende zwangerschap te testen of het ongeboren kindje ook ziek is. Voorheen gebeurde dit door de concentratie L-2-HG in vruchtwater te meten, maar doordat het gen voor deze aandoening bekend is geworden, wordt nu de prenatale diagnostiek op DNA-niveau uitgevoerd.

Behandeling

L-2-HGA is niet te genezen. Helaas is er vooralsnog ook geen effectieve behandeling voor deze ziekte gevonden.
De enige mogelijke vormen van behandeling zijn erop gericht om de symptomen van de ziekte zoveel mogelijk te verlichten, bijvoorbeeld door epileptische aanvallen zoveel mogelijk onder controle te houden. Zo wordt al het mogelijke gedaan om de patiënt een zo aangenaam mogelijk leven te bieden.

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Dat betekent dat je met de ziekte geboren wordt en er niet van kan genezen. Het betekent meestal dat de ouders van te voren niet hadden kunnen weten dat hun kind ziek zou worden. In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan “gezonde dragers” van een afwijkend gen en hebben daarnaast het normale gen (zie onder). Het normale gen zorgt ervoor dat het benodigde Enzym bij hen voldoende aangemaakt wordt. Een kind met de ziekte heeft twee afwijkende genen en mist het normale gen. Daardoor wordt het enzym niet of onvoldoende aangemaakt.

Autosomaal recessief
In elke Cel van het lichaam is het erfelijke materiaal in tweevoud aanwezig en is verdeeld in chromosoomparen. Er zijn per cel 22 gelijke paren (autosomen), terwijl het 23e paar geslacht-bepalend is en verschilt tussen een vrouw, die twee X chromosomen heeft en een man die een X en een Y Chromosoom heeft.

Deze Stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen op één van de 22 gewone chromosomen ligt. Zowel jongens als meisjes kunnen ziek zijn. Daarnaast is een afwijkend gen op een van de twee chromosomen ondergeschikt aan het normale gen op het andere chromosoom (recessief), die in dat geval compenseert. Dit gebeurt bij een “gezonde dragers”, die de ziekte dus niet zal krijgen. Er zijn dus twee afwijkende genen nodig om de ziekte te krijgen. Een kind met een stofwisselingsziekte heeft van allebei zijn ouders een afwijkend gen geërfd.

De ouders zijn niet ziek, maar zijn wel drager van het afwijkende gen. Daardoor hebben ze 25% kans (1 op 4) bij elke zwangerschap op een kind met de ziekte. Ook hebben ze 75% (3 op 4) kans op een kind dat niet ziek is. Daarvan zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn DNA.

Sommige patiënten met L-2-HGA hebben dusdanig weinig symptomen dat zij normaal volwassen worden en zelf kinderen krijgen. Het hangt van hun partner af of hun kinderen de ziekte ook zullen hebben. Als de partner de genafwijking niet heeft, wordt geen van de kinderen ziek, maar zijn ze wel allemaal drager van het afwijkende gen. Als de partner de genafwijking wel heeft, is er 50% kans op een ziek kind en 50% kans op een gezond kind dat wel drager is. Wanneer de partner geen familie is, is de kans dat hij of zij dezelfde genafwijking heeft, zeer klein.

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

L-2-Hydroxyglutaarzuur
L-2-Hydroxyglutaric aciduria
L-2-Hydroxyglutaric acidemia

Meest gebruikte naam

L-2-Hydroxyglutaaracidurie

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er zijn momenteel geen leden met ‘L-2-Hydroxyglutaarzuur’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

16 February 2017

Autorisatie door:

dr. E. Struys

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reageren is niet mogelijk