Hypofosfatasie (HPP)

Hypofosfatasie (HPP) 

Inleiding


Hypofosfatasie werd voor het eerst beschreven in 1948 door de Canadese kinderarts Rathbun. Het belangrijkste kenmerk van de ziekte is een afwijkende botopbouw.

Oorzaak
De oorzaak van de ziekte is een verlaagde activiteit van het enzym alkalische fosfatase. Het enzym alkalische fosfatase komt voor in de lever, botten en nieren. Dit enzym zorgt normaal gesproken voor een goede opbouw van bot.
Door het enzymtekort treedt een ophoping op van de voorlopers van het enzym. Eén van die voorlopers is het zogenoemde anorganisch pyrofosfaat. Deze stof remt normale skeletmineralisatie, maar stimuleert afzetting van calciumfosfaatkristallen. Hierdoor ontstaat gebrekkige mineralisatie van het bot. Ook mineralisatiestoornissen in de tanden en het bot van de kaak treden vaak op. Dit leidt tot vroegtijdig uitvallen van tanden en gaatjes.

Zeldzaamheid
Hoe vaak hypofosfatasie voorkomt in West-Europese landen is niet bekend. Uit onderzoek blijkt dat de ernstige vormen van de ziekte voorkomen bij 1 op de 100.000 mensen. De mildere vormen komen waarschijnlijk vaker voor.

Symptomen

Patiënten met hypofosfatasie hebben een abnormale opbouw van het bot en de tanden. De symptomen kunnen sterk variëren, van problemen met de vorming van een gezond gebit tot vervormde ledematen. De borstkas kan ook onvoldoende ontwikkeld zijn, waardoor een onderontwikkeling van de longen kan ontstaan. Daarnaast kan een verhoogde hoeveelheid kalk in de urine leiden tot beschadiging van de nieren. Hoe jonger de leeftijd waarop de eerste symptomen optreden -een baby kan als gevolg van deze aandoening al tijdens de zwangerschap overlijden- des te ernstiger zal de aandoening zijn. 
Er zijn vier vormen van de ziekte te onderscheiden: perinatale, infantiele, juveniele en adulte hypofosfatasemie. Symptomen ontstaan respectievelijk rond de geboorte, op de zuigelingleeftijd, op de kinderleeftijd en op volwassen leeftijd. 

Perinatale hypofosfatasemie
Bij deze ernstigste vorm van hypofosfatasemie, overlijdt de baby vaak al in de baarmoeder. Als het kindje wel geboren wordt, heeft het kenmerkende verkorte en vervormde ledematen, zachte schedelbeenderen en onvoldoende botvorming. Vaak zijn de borst en de longen niet goed ontwikkeld, waardoor ademhalingsproblemen kunnen ontstaan. Een baby met deze ziekte groeit vaak niet voldoende. Andere meer algemene kenmerken zijn: huilen op hoge toon, prikkelbaarheid, braken, korte periodes van niet-ademen, koorts en bloedarmoede. Ook kunnen bloedingen in de hersenen en epileptische aanvallen optreden. 

Infantiele hypofosfatasemie
Bij kinderen met infantiele hypofosfatasemie ontstaan de eerste symptomen vaak in de eerste zes levensmaanden. Meestal hebben ze voedingsproblemen, onvoldoende groei en onvoldoende spierspanning. Vaak valt bij de baby een abnormale vorm van de borst op, die het gevolg is van vormveranderingen van de ribben. Deze afwijking van de ribben geeft een verhoogde kans op infecties, zoals een longontsteking, en op kortademigheid. 
Ook andere delen van het skelet kunnen afwijkingen vertonen. Vaak is er sprake van veel calcium in de urine, wat schadelijk is voor de nieren. Van de kinderen met deze vorm sterft ongeveer de helft als gevolg van een luchtweginfectie, doordat de longen dan onvoldoende hun werk kunnen doen. Na de zuigelingenleeftijd verbetert de Prognose duidelijk. 

Juveniele hypofosfatasemie
De meeste kinderen met juveniele hypofosfatasemie verliezen op de babyleeftijd een of meer tanden van hun melkgebit. Het blijvend gebit kan zich normaal ontwikkelen, maar soms zijn er problemen in de zin van het laat doorkomen van het gebit, loszitten van tanden en kiezen en veel gaatjes. Een aantal kinderen heeft een achtergebleven lengtegroei en kenmerken van de zogenoemde ‘Engelse ziekte’ (onder meer O-benen). Bij de meeste kinderen treedt spontaan verbetering op. 

Adulte hypofosfatasemie of odontohypofosfatasemie
Mensen met deze vorm van hypofosfatasemie krijgen op volwassen leeftijd meestal eerst tandproblemen (loszittende tanden en gaatjes). Later kunnen ook ook problemen aan het skelet met breuken, lage rugpijn, gewrichtspijn en gewrichtsontstekingen ontstaan. Vaak blijkt dat er op de kinderleeftijd ook (milde) symptomen zijn geweest, die weer verdwenen. Sommige patiënten hebben alleen tandproblemen.

Diagnose

De diagnose wordt meestal vermoed op grond van de symptomen. Voor de bevestiging is bloedonderzoek in een metabool laboratorium nodig.

Prenatale diagnostiek
Als er al eerder in het gezin een kindje met hypofosfatasemie is geweest, is prenatale diagnostiek mogelijk om bij een volgende zwangerschap. Met behulp van een vlokkentest kan men hypofosfatasemie voor de geboorte vaststellen. Er wordt dan DNA-onderzoek gedaan om de hoeveelheid alkalische fosfatase te bepalen. De perinatale vorm is soms voor de geboorte door middel van echo-onderzoek te diagnosticeren.

Behandeling

Er zijn verschillende behandelingen onderzocht bij patiënten met hypofosfatasemie, maar de interpretatie is moeilijk door kleine patiënten aantallen en door spontane verbetering van het ziektebeeld. 
Onderzoekers hebben geprobeerd de aanmaak van het enzym te stimuleren door middel van verschillende stoffen, waaronder vitamine D, corticosteroïden en zink. Dit gaf echter geen verbetering. Ook wordt geprobeerd mensen met hypofosfatasie extra enzym te geven. Dit is beschikbaar in de vorm van een medicijn met de naam asfotase alpha. In Nederland is het beschikbaar voor patiënten die de eerste symptomen voor de leeftijd van zed maanden hebben. Vooralsnog is er daarom geen behandeling die de oorzaak weg kan nemen en de ziekte geneest; 
De patiënten worden wel ondersteunend behandeld. Vanaf jonge leeftijd is regelmatige tandheelkundige controle erg belangrijk, gezien de grote kans op kaak- en tandproblemen. Daarnaast wordt geprobeerd om luchtweginfecties zoveel mogelijk te voorkomen.

De toekomstverwachting is sterk afhankelijk van de leeftijd waarop de eerste symptomen optreden en dus van het specifieke subtype van de ziekte. Vroege herkenning van het ziektebeeld is bij de ernstigste vormen van groot belang voor een goede ondersteunende behandeling en voor erfelijkheidsvoorlichting.

 

Erfelijkheid

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Meestal wordt dan gedacht aan ziekten of eigenschappen die al generaties ‘in de familie’ zitten, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. We proberen het zo duidelijk mogelijk uit te leggen.
Het menselijk lichaam bestaat uit allemaal cellen. In de kern van iedere cel zitten chromosomen. Chromosomen zijn strengen erfelijk materiaal. Ze bestaan uit een stof die we DNA noemen. In dit DNA zit een soort ‘code’ waarin al onze erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd. Het DNA is er in tweevoud: de ene helft van het DNA komt van de vader en de andere helft van de moeder.
Normaal gesproken zijn er per cel 22 gelijke chromosoomparen (autosomen). Het 23e paar is geslachtsbepalend en dus verschillend bij mannen en vrouwen: een vrouw heeft twee X-chromosomen en een man heeft een X- en een Y-chromosoom. Een man erft het Y-chromosoom altijd van zijn vader en het X-chromosoom van zijn moeder. Een vrouw krijgt van haar vader én van haar moeder een X-chromosoom.
Op de chromosomen zitten de genen. Een gen is een stukje DNA. Elk gen beschrijft de code van één erfelijke eigenschap. Bijvoorbeeld hoe je eruitziet en hoe je lichaam werkt. Van elk gen zijn er twee kopieën: één afkomstig van de moeder, één afkomstig van de vader. Als er een verandering in een gen optreedt, heet dat een mutatie.

Autosomaal recessief

Deze stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen (het gen met de mutatie) niet op de geslachtschromosomen X en Y ligt maar op één van de 22 gewone chromosomen. Zowel jongens als meisjes kunnen de aandoening dan krijgen. Ook is de kopie van het gen op het ene chromosoom zwakker dan de functionerende kopie van het gen op het andere chromosoom. Dit wordt bedoeld met de term recessief. Dit betekent meestal dat dragers van één afwijkend gen daarvan geen klachten hebben, omdat het functionerende gen op het andere chromosoom wel werkt en de taak van de afwijkende kopie compenseert.
Om ziekteverschijnselen te hebben zijn er dus twee afwijkende genen nodig. Iemand met een autosomaal recessief overervende stofwisselingsziekte heeft van allebei de ouders precies het afwijkende deel van het gen geërfd. Bij deze persoon zorgt deze combinatie voor een genetische code die niet werkt. Hierdoor kan één enzym of eiwit niet of niet voldoende worden gemaakt. Dat zorgt voor de ziekteverschijnselen.

Dragerschap en overerving

In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan gezonde dragers. Het functionerende gen op het andere chromosoom zorgt ervoor dat het benodigde enzym of eiwit bij hen voldoende wordt aangemaakt. Elk mens heeft ongeveer 25.000 genen. En elk mens draagt meerdere recessief afwijkende genen met zich mee en merkt daar meestal helemaal niets van. De variatie in onze genen, inclusief de recessieve afwijkingen, maken ons tot unieke individuen. Maar zorgen er dus ook voor dat er ineens een kind kan worden geboren met een erfelijke aandoening. Zonder dat die aandoening in de familie voorkomt. Zonder dat ouders wisten dat zij drager waren.
Als we weten dat beide ouders drager zijn van hetzelfde afwijkende gen, weten we dat ze bij elke zwangerschap een kans van 1 op 4 (25%) hebben op een kind met de ziekte. Ook hebben ze een kans van 3 op 4 (75%) op een kind dat niet ziek is. Van de gezonde kinderen zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn of haar DNA.

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

Hypofosfatasemie

Hypophosphatasia

Alkaline phosphatase deficiëntie

Meest gebruikte naam

Hypofosfatasemie

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er is één lid met ‘Hypofosfatasie (HPP)’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

06 July 2021

Autorisatie door:

dr. A.M. Bosch

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reacties zijn gesloten.