Haltia-Santavuori CLN1 (infantiele NCL)

Haltia-Santavuori CLN1 (infantiele NCL) 

Inleiding

NCL,  INCL of de ziekte van Haltia-Santavuori is een zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. Met 'stofwisseling' wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren, botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen. Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden omgezet en hoopt zich op in de cel. En de stof waarin die bepaalde stof normaal wordt omgezet, wordt minder geproduceerd. Als het ophopen of het onvoldoende produceren van een bepaalde stof tot klachten leidt, noemen we het een stofwisselingsziekte.

Achtergrond:
Er zijn inmiddels 14 verschillende vormen van Neuronale Ceroid Lipofuscinose (NCL) beschreven. Al deze vormen van NCL hebben vergelijkbaar beloop van  progressieve ziekteverschijnselen, zoals  stoornissen in het zien, motorische en cognitieve achteruitgang, epilepsie en (vroegtijdig) overlijden.

Alle verschillende Neuronale Ceroïd Lipofuscinosen (NCL) zijn het gevolg van een gestoorde stofwisseling door het ontbreken of niet goed functioneren van bepaalde enzymen in het lichaam. Hierdoor worden pigmentstoffen, ceroid lipofuscines, opgeslagen in alle lichaamscellen, maar voornamelijk in de zenuwcellen van patiënten. Daardoor staan de gevolgen in de zenuwcellen van ogen en hersenen bij deze ziekten het meest op de voorgrond.

CLN1 is de infantiele vorm van deze groep progressieve, neurologische aandoeningen. De aanduiding infantiel slaat op de leeftijd waarop de eerste symptomen doorgaans opgemerkt worden. Meestal wordt de diagnose gesteld als de patiënt ongeveer een jaar oud is. Dit is de klassieke vorm van CLN1 die het meest voorkomt. Er zijn ook andere vormen van NCL1 (laat-infantiel, juveniel of adulte vorm) waarbij de ziekte op een andere leeftijd  manifesteert en het ziektebeloop afwijkt van de klassieke vorm.

Er zijn nog drie andere vormen van NCL, waar een aparte ziektebeschrijving van is:

NCL2, laat-infantiele NCL (LINCL) of de ziekte van Jansky-Bielschowsky  wordt ook wel genoemd. Deze ziekte verloopt iets trager. Vanaf ongeveer het derde jaar beginnen de symptomen. De meeste kinderen met de ziekte van NCL2 overlijden voor hun vijftiende levensjaar.

NCL3, juveniele NCL (JNCL) wordt ook wel Batten-Spielmeyer-Vogt genoemd. Deze ziekte begint meestal met slechtziendheid, optredend tussen het vijfde en achtste levensjaar. Er zet een algehele achteruitgang in die er uiteindelijk toe leidt dat patiënten vroegtijdig komen te overlijden. In de meeste gevallen worden deze patiënten tussen de achttien en dertig jaar oud.

Onder de volwassen vorm van NCL, ook wel adulte NCL (ANCL) genoemd, vallen verschillende vormen van NCL. Eén daarvan is de ziekte van Kufs (NCL4). Alle adulte vormen hebben met elkaar gemeen dat ze beginnen op (jong-) volwassen leeftijd en langzamer verlopen. Het ziektebeeld kan ook op oudere leeftijd na het veertigste jaar beginnen. Vaak wordt het dan verward worden met andere dementerende ziektes.

Lysosomale stapelingsziekten
Lysosomen zijn onderdelen in de cellen van een mens. Het zijn in feite de recyclefabriekjes van de cel, waar moleculen worden afgebroken. Dit zijn oude, kapotte cel onderdelen, of bijvoorbeeld delen van virussen of bacteriën die door het lichaam zijn vernietigd. In deze lysosomen worden grote moleculen in kleinere stukken geknipt, waarna ze vervolgens door de Cel hergebruikt worden. De gemiddeld 300 lysosomen in een Cel zijn zeer verschillend. Hun vorm is afhankelijk van welke moleculen ze precies moeten afbreken. Binnen een lysosoom zijn zo'n tientallen enzymen actief, die elk een specifieke stap in het verknippen van een stof uitvoeren. Als er een Enzym ontbreekt of zijn werk niet goed doet, kan één stap in de verwerking niet worden uitgevoerd. De stof die verwerkt had moeten worden, hoopt zich dan op in het lysosoom. Vandaar de naam lysosomale stapelingsziekten: een ongewenste stof stapelt zich op in het lysosoom. Dit heeft gevolgen voor de cel en uiteindelijk ook voor de organen en het lichaam.

Het defecte of ontbrekende enzym
CLN1 wordt veroorzaakt door een defect in het enzym palmitoyl-protein thioesterase-1 (PPT-1).

Zeldzaamheid
Deze ziekte komt het meest in Finland voor. Het aantal kinderen dat met CLN1 geboren wordt, is daar ongeveer 5 per 100.000 levendgeborenen. Dat is ongeveer drie per jaar. Van alle mensen met een NCL-ziekte in Nederland behoort circa vijf procent tot deze vorm van NCL. De laatste twintig jaar is de diagnose ongeveer één keer per drie jaar gesteld.

Symptomen

De Neuronale Ceroid Lipofuscinosen vormen een groep stofwisselingsziekten met het volgende kenmerk: in de zenuwcellen (neuronen) van hersenen en in andere weefsels, zoals spiercellen, wordt de stof 'ceroid lipofuscine' gestapeld. Hoewel men altijd gedacht heeft dat deze stapeling de oorzaak is van het achteruitgaan van de cel-functie, lijkt het er steeds meer op, dat er naast stapeling andere, belangrijker, factoren zijn die de cel-functie verstoren. Welke dat zijn, wordt nog onderzocht. Het eerste symptoom is meestal een snelle verslechtering van het gezichtsvermogen door verstoring van de functie van de zenuwcellen in het netvlies.

Bij kinderen met CLN1 is verstoring van het gezichtsvermogen echter niet het eerste teken van de ziekte. De kinderen ontwikkelen zich grotendeels normaal in hun eerste levensjaar daarna gaan ze echter geestelijk en lichamelijk zeer snel achteruit. De eerste ziekteverschijnselen zijn prikkelbaarheid, rusteloosheid en slaapstoornissen. Daarna wordt opgemerkt dat het kind slechter gaat zien. De patiëntjes hebben meestal een te klein hoofdje. Later krijgt het kind moeite met het bewaren van het evenwicht en er ontstaat epilepsie (en slechtziendheid). Later hebben kinderen met CLN1 vaak voedingsproblemen door slikstoornissen en longproblemen met veel slijmvorming. Een opvallend kenmerk zijn de spierschokjes ("myo clonieën").
Vanaf dat patiëntjes ongeveer drie jaar oud zijn, worden ze afhankelijk van volledige verzorging. De kinderen overlijden in het algemeen voor hun twaalfde levensjaar.

Diagnose

Het geleidelijk verloop van de meeste vormen van NCL bemoeilijkt het vroegtijdig stellen van de diagnose. De diagnose NCL wordt vaak pas na enkele jaren gesteld. Meestal gebeurt dat door een gespecialiseerde oogarts, neuroloog of kinderarts in een UMC.

De kinderarts of kinderneuroloog maken vaak een Elektro Encefalogram (EEG) en een MRI. Op het EEG worden de elektrische golven uit de hersenen weergegeven. Hiermee kan men ook epileptische activiteit registreren. De MRI geeft een beeld van de structuur van de hersenen. Deze is in het begin van de ziekte meestal nog niet afwijkend. De oogarts maakt een elektroretinogram (ERG) om de functie van het netvlies te testen. Deze functie is al vroeg in het ziekteproces gestoord.

Er kan ook een huidbiopt worden genomen om met een elektronenmicroscoop te onderzoeken of de huidcellen voor CLN1 kenmerkende structuren bevatten.

Het is bekend dat het afwijkende gen van NCL1 ligt op Chromosoom nummer 1. Het is daardoor mogelijk om met zekerheid vast te stellen of een patiëntje CLN1 heeft. Ook is het mogelijk om in huid- of bloedcellen de sterk verlaagde enzymactiviteit van het enzym palmitoyl- proteïn thioesterase-1 (PPT1) vast te stellen.

Prenatale diagnostiek
Wanneer er eerder in een gezin een kind met CLN1 geboren is, is het mogelijk om bij een nieuwe zwangerschap onderzoek te doen naar de ziekte bij het ongeboren kindje.

Behandeling

Helaas is geen enkele vorm van NCL te behandelen. De kinderen zullen uiteindelijk aan de gevolgen van de ziekte overlijden. Alle aandacht van de medici richt zich erop de symptomen daar waar mogelijk te bestrijden om de patiënten zo comfortabel mogelijk te laten leven. Dit kan bijvoorbeeld door anti-epilepsiemiddelen en medicijnen tegen spierspanning. Fysiotherapeutische adviezen en therapie kunnen ondersteunend zijn voor het algehele lichamelijk functioneren en ook bij slijmophoping in de luchtwegen.
Bij deze ziekten is begeleiding van het gezin waarin een kind leeft ook zeer van belang.

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Dat betekent dat je met de ziekte geboren wordt en er niet van kan genezen. Het betekent meestal dat de ouders van te voren niet hadden kunnen weten dat hun kind ziek zou worden. In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan “gezonde dragers” van een afwijkend gen en hebben daarnaast het normale gen (zie onder). Het normale gen zorgt ervoor dat het benodigde enzym bij hen voldoende aangemaakt wordt. Een kind met de ziekte heeft twee afwijkende genen en mist het normale gen. Daardoor wordt het enzym niet of onvoldoende aangemaakt.

Autosomaal recessief
In elke cel van het lichaam is het erfelijke materiaal in tweevoud aanwezig en is verdeeld in chromosoomparen. Er zijn per cel 22 gelijke paren (autosomen), terwijl het 23e paar geslacht-bepalend is en verschilt tussen een vrouw, die twee X-chromosomen heeft en een man die een X- en een Y-chromosoom heeft.

Deze stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen op één van de 22 gewone chromosomen ligt. Zowel jongens als meisjes kunnen ziek zijn. Daarnaast is een afwijkend gen op een van de twee chromosomen ondergeschikt aan het normale gen op het andere chromosoom (recessief), die in dat geval compenseert. Dit gebeurt bij een “gezonde dragers”, die de ziekte dus niet zal krijgen. Er zijn dus twee afwijkende genen nodig om de ziekte te krijgen. Een kind met een stofwisselingsziekte heeft van allebei zijn ouders een afwijkend gen geërfd.

De ouders zijn niet ziek, maar zijn wel drager van het afwijkende gen. Daardoor hebben ze 25 % kans (1 op 4) bij elke zwangerschap op een kind met de ziekte. Ook hebben ze 75 % (3 op 4) kans op een kind dat niet ziek is. Daarvan zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn DNA.

 

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

Ziekte van Santavuori-Haltia
Ceroid Lipofuscinosis, neuronal type 1
CLN1
Infantiele Neuronale Ceroid Lipofuscinosis

Variant: Hagberg Santavuori

Meest gebruikte naam

Haltia-Santavuori (NCL1 / CLN1 / infantiele NCL)

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er zijn 5 leden met ‘Haltia-Santavuori CLN1 (infantiele NCL)’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

01 November 2016

Autorisatie door:

R. Niezen, arts-AVG bij NCL-expertisecentrum Bartiméus

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reageren is niet mogelijk