GSD 14 (Phosphoglucomutase 1 deficiëntie)

GSD 14 (Phosphoglucomutase 1 deficiëntie) 

Inleiding

PGM1 deficiëntie is een zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. Met ‘stofwisseling’ wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren, botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De Stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen. Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden omgezet en hoopt zich op in de cel, terwijl het mogelijk belangrijke product te weinig of soms helemaal niet meer gevormd wordt. Deze situatie kan tot minder of meer ernstige klachten leiden. Dit noemen we een stofwisselingsziekte.

Achtergrond
PGM1 deficiëntie is een opmerkelijke aandoening die pas in 2009 voor het eerst is beschreven. Er treden eigenlijk twee verschillende stofwisselingsproblemen op. Ten eerste zijn er problemen in de glycogeenstofwisseling (energieopslag). Glucose, een belangrijke brandstof (suiker), wordt door het lichaam opgeslagen in de vorm van glycogeen. Zo ontstaat een energievoorraad die kan worden benut als het suikerpeil in het bloed daalt. De grootste opslag van glycogeen vindt plaats in de lever. Het wordt ook opgeslagen in de spieren.

Als (een tijdje) na de maaltijd een grote inspanning geleverd moet worden waarbij veel energie nodig is, zoals sporten, dan kan het glycogeen worden afgebroken tot glucose om het suikergehalte in het bloed op peil te houden. Als dat niet voldoende is, kan het lichaam nieuwe glucose maken uit vetten en eiwitten. Dat heet ‘gluconeogenese’.

Bij de verschillende omzettingen van de koolhydraten gebruikt het lichaam een groot aantal enzymen. Bij het ontbreken van een bepaald enzym treden klachten op door de ophoping van glycogeen of een tekort van een ander koolhydraat.

Naast problemen in de glycogeenstofwisseling, zijn er ook problemen met het koppelen van suikers aan eiwitten. Dit proces heet ook wel glycosylering, waarbij zogenaamde glycoproteïnen worden gevormd. Glycoproteïnen hebben verschillende functies in het lichaam. Sommige vervullen de functie van hormonen, andere zijn nodig voor de bloedstolling, het afweersysteem of voor transport. Omdat glycoproteïnen op zoveel plaatsen in het lichaam een belangrijke functie hebben, kan een fout in de productie van glycoproteïnen bij veel verschillende organen klachten veroorzaken.

Het defecte of ontbrekende enzym
Bij PGM1 deficiëntie werkt fosfoglucomutase 1 (PGM1) niet of niet goed.

Zeldzaamheid
Hoe vaak PGM1 deficiëntie daadwerkelijk voorkomt is nog onbekend.

Symptomen

Bijna alle patiënten met PGM1 deficiëntie hebben een gespleten huig. Dit is het enige kenmerk dat direct vanaf de geboorte zichtbaar is voor een arts. Niet alle patiënten hebben echter al klachten vanaf de geboorte, sommigen krijgen pas later in hun leven last van de aandoening. Hierin is ook een verschil te zien. De mensen die pas later last krijgen, hebben vaker spierproblemen, zoals spierzwakte, krampen en problemen bij inspanning.

Een lage bloedsuikerspiegel kan met name bij jonge kinderen gevonden worden. Andere patiënten ontwikkelen klachten over hun hele lichaam. Velen van hen laten kenmerken zien van leverziekten, maar bijvoorbeeld ook de eerdergenoemde spierproblemen. Ook kan er sprake zijn van groeivertraging, hartklachten en problemen met verschillende hormonen. Deze problemen uiten zich in de vorm van problemen met de bloedstolling en een verlate puberteit.

Alle patiënten hebben een normale intelligentie.

Diagnose

Er zijn verschillende testen om de diagnose PGM1 te stellen. In een druppel bloed kan de diagnose al gesteld worden door de glycosylering van het eiwit transferrine te bepalen. De aandoening kan bevestigd worden door de enzymactiviteit van PGM1 te meten en mutaties in het PGM1 gen aan te tonen.

Een eerste aanwijzing kan al gevonden worden door goed naar de klinische symptomen te kijken. Daarnaast is  er de zogenaamde ‘forearm ischemic exercise test’. Hierbij wordt de bloedtoevoer naar de spier tijdelijk geremd. De arts brengt dan een bloeddrukband om de bovenarm van de patiënt. Deze wordt vervolgens opgeblazen tot er geen zuurstofrijk bloed meer stroomt. Bij PGM1 valt dan op dat er een beperkte toename van melkzuur is. In de gezonde situatie zie je een veel grotere toename van melkzuur in het bloed. Deze test toont een probleem in de glycogeenstofwisseling aan.

 

Behandeling

De behandeling van PGM1 deficiëntie bestaat uit verschillende onderdelen. Ten eerste moeten patiënten regelmatig complexe koolhydraten eten, om te zorgen dat hun bloedsuikerspiegel hoog genoeg blijft en ze dus genoeg energie hebben. Overmatige inspanning moet vermeden worden om hartfalen en spierschade te voorkomen door energietekort. Een veelbelovende nieuwe ontwikkeling is de toediening van galactose. Patiënten hebben namelijk te weinig galactose in hun bloed. Door galactose worden de suikers beter aan de eiwitten gekoppeld.

Als patiënten erg vaak en veel last hebben van een te lage bloedsuikerspiegel, kan ook een medicijn worden voorgeschreven dat de aanmaak van insuline remt. Insuline zorgt namelijk voor de opname van glucose in lichaamscellen, waardoor de hoeveelheid in het bloed te laag kan worden.

Erfelijkheid

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Meestal wordt dan gedacht aan ziekten of eigenschappen die al generaties ‘in de familie’ zitten, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. We proberen het zo duidelijk mogelijk uit te leggen.
Het menselijk lichaam bestaat uit allemaal cellen. In de kern van iedere cel zitten chromosomen. Chromosomen zijn strengen erfelijk materiaal. Ze bestaan uit een stof die we DNA noemen. In dit DNA zit een soort ‘code’ waarin al onze erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd. Het DNA is er in tweevoud: de ene helft van het DNA komt van de vader en de andere helft van de moeder.
Normaal gesproken zijn er per cel 22 gelijke chromosoomparen (autosomen). Het 23e paar is geslachtsbepalend en dus verschillend bij mannen en vrouwen: een vrouw heeft twee X-chromosomen en een man heeft een X- en een Y-chromosoom. Een man erft het Y-chromosoom altijd van zijn vader en het X-chromosoom van zijn moeder. Een vrouw krijgt van haar vader én van haar moeder een X-chromosoom.
Op de chromosomen zitten de genen. Een gen is een stukje DNA. Elk gen beschrijft de code van één erfelijke eigenschap. Bijvoorbeeld hoe je eruitziet en hoe je lichaam werkt. Van elk gen zijn er twee kopieën: één afkomstig van de moeder, één afkomstig van de vader. Als er een verandering in een gen optreedt, heet dat een mutatie.

Autosomaal recessief

Deze stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen (het gen met de mutatie) niet op de geslachtschromosomen X en Y ligt maar op één van de 22 gewone chromosomen. Zowel jongens als meisjes kunnen de aandoening dan krijgen. Ook is de kopie van het gen op het ene chromosoom zwakker dan de functionerende kopie van het gen op het andere chromosoom. Dit wordt bedoeld met de term recessief. Dit betekent meestal dat dragers van één afwijkend gen daarvan geen klachten hebben, omdat het functionerende gen op het andere chromosoom wel werkt en de taak van de afwijkende kopie compenseert.
Om ziekteverschijnselen te hebben zijn er dus twee afwijkende genen nodig. Iemand met een autosomaal recessief overervende stofwisselingsziekte heeft van allebei de ouders precies het afwijkende deel van het gen geërfd. Bij deze persoon zorgt deze combinatie voor een genetische code die niet werkt. Hierdoor kan één enzym of eiwit niet of niet voldoende worden gemaakt. Dat zorgt voor de ziekteverschijnselen.

Dragerschap en overerving

In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan gezonde dragers. Het functionerende gen op het andere chromosoom zorgt ervoor dat het benodigde enzym of eiwit bij hen voldoende wordt aangemaakt. Elk mens heeft ongeveer 25.000 genen. En elk mens draagt meerdere recessief afwijkende genen met zich mee en merkt daar meestal helemaal niets van. De variatie in onze genen, inclusief de recessieve afwijkingen, maken ons tot unieke individuen. Maar zorgen er dus ook voor dat er ineens een kind kan worden geboren met een erfelijke aandoening. Zonder dat die aandoening in de familie voorkomt. Zonder dat ouders wisten dat zij drager waren.
Als we weten dat beide ouders drager zijn van hetzelfde afwijkende gen, weten we dat ze bij elke zwangerschap een kans van 1 op 4 (25%) hebben op een kind met de ziekte. Ook hebben ze een kans van 3 op 4 (75%) op een kind dat niet ziek is. Van de gezonde kinderen zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn of haar DNA.

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

PGM1-CDG
glycogen storage disease type 14

Meest gebruikte naam

PGM 1-CDG

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er is één lid met ‘GSD 14 (Phosphoglucomutase 1 deficiëntie)’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

01 July 2021

Autorisatie door:

D. Lefeber

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reacties zijn gesloten.