Cerebrotendineuze xanthomatose

Cerebrotendineuze xanthomatose 

Inleiding

Cerebrotendineuze xanthomatose (CTX) is een zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. Met ‘stofwisseling’ wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren, botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen. Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden omgezet en hoopt zich op in de cel, terwijl het mogelijk belangrijke product te weinig of soms helemaal niet meer gevormd wordt. Deze situatie kan tot min of meer ernstige klachten leiden. Dit noemen we een stofwisselingsziekte.

Achtergrond
De eerste patiënt met cerebrotendineuze xanthomatose werd in 1937 beschreven door de arts Van Bogaert. Binnen enkele jaren werden meer patiënten ontdekt. In de jaren ’60 en ’70 werd veel over de biochemie bij deze ziekte opgehelderd. Daaruit bleek dat het geven van de stof chenodeoxycholzuur (CDCZ, een primair galzuur) goed werkt als therapie voor CTX. Sinds 1975 worden patiënten dan ook met deze stof behandeld. In 1980 werd het enzymdefect dat de ziekte veroorzaakt ontdekt en sinds de jaren ’90 is ook DNA onderzoek mogelijk.

Galzuren
De ziekteverschijnselen bij patiënten met CTX worden veroorzaakt door een defect in de galzuursynthese, een proces in de lichaamscellen waarbij cholesterol wordt omgezet in galzuren. Galzuren zijn belangrijke voor de opname van vetten in de darmen. Doordat CTX-patiënten een enzym missen, kunnen zij niet of nauwelijks CDCZ aanmaken en maken hun cellen vanuit cholesterol een daaraan verwante stof, cholestanol aan. De stapeling van deze stof in verschillende weefsels (met name in de hersenen, ooglenzen en pezen) leidt tot ziekteverschijnselen. Tevens worden er door de levercellen van CTX-patiënten galalcoholen gemaakt.

Het defecte of ontbrekende enzym
Het defect in de galzuursynthese dat CTX veroorzaakt is een gebrek aan het enzym 27-hydroxylase. Door een fout in hun DNA, missen patiënten met CTX dit enzym en kunnen zij niet of nauwelijks CDCZ aanmaken.

Zeldzaamheid
Cerebrotendineuze xanthomatose is een zeldzame stofwisselingsziekte. Het is onbekend hoe vaak de ziekte precies voorkomt, maar in Nederland zijn enkele tientallen patiënten bekend. Wereldwijd zijn er meer dan 250 patiënten bekend.

Symptomen

De symptomen van CTX beginnen meestal na het tiende levensjaar, maar in een enkel geval kan dat eerder zijn. De belangrijkste ziekteverschijnselen zijn: vroegtijdige staar aan beide ogen, vetgezwellen in de pezen en problemen van het centrale zenuwstelsel, zoals gedragsstoornissen, dementie, bewegingsstoornissen en epilepsie. Daarnaast kunnen patiënten last krijgen van aderverkalking en botontkalking.
Bij veel jonge patiënten wordt een combinatie van staar en chronische diarree gezien. Vaak blijkt ook bij oudere patiënten achteraf dat dit de eerste verschijnselen van de ziekte waren.
Bij een groot deel van de patiënten begint de ziekte niet met alle symptomen. Met name het feit dat lang niet alle patiënten vanaf het begin van hun ziekte de karakteristieke vetgezwellen in hun pezen hebben, leidt vaak tot een vertraging van het stellen van de juiste diagnose. Patiënten krijgen vaak aanvankelijk een verkeerde diagnose zoals bijvoorbeeld MS, Alzheimer of ontwikkelingsvertraging.

Cerebrotendineuze xanthomatose is langzaam progressief, wat betekent dat de ziekteverschijnselen erger worden naarmate de patiënt ouder wordt. Door vroegtijdige behandeling kunnen de symptomen voorkomen worden en gedeeltelijk ook omgekeerd worden. Zonder behandeling leidt de stapeling van cholesterol en cholestanol in de weefsels van patiënten tot een vervroegd overlijden.

Diagnose

De diagnose bij patiënten met cerebrotendineuze xanthomatose wordt bemoeilijkt doordat de ziekte heel langzaam voortschrijdt en doordat patiënten vaak niet alle symptomen vanaf het begin hebben. Toch is het belangrijk om de diagnose zo vroeg mogelijk te stellen, omdat de behandeling dan het meeste effect heeft.
Hoewel de ziekteverschijnselen een vermoeden kunnen geven van de diagnose, is laboratoriumonderzoek nodig om de diagnose te bevestigen. In het laboratorium worden urine en bloed onderzocht op de abnormale aanwezigheid van galalcoholen en cholestanol.
Aanvullend kan met verschillende onderzoeken de (hersen)schade worden bepaald die de ziekte al heeft aangericht, bijvoorbeeld met een MRI scan.

DNA onderzoek
Wanneer binnen een gezin een patiënt met CTX is ontdekt, wordt met DNA onderzoek onderzocht welke genetische fout de patiënt precies heeft. Daarna worden de broers en zussen van de patiënt vaak ook onderzocht met DNA onderzoek. Daardoor worden soms patiënten opgespoord vóórdat zij symptomen van de ziekte hebben.

Behandeling

Sinds 1975 worden patiënten met CTX behandeld met CDCZ (chenodeoxycholzuur) als medicijn. Dit galzuur remt de aanmaak van cholestanol en galalcoholen. Daardoor stabiliseren de ziekteverschijnselen zich. Soms treedt er zelfs na enige tijd verbetering op. Bij sommige patiënten wordt deze behandeling gecombineerd met simvastatine of een andere remmer van beta-HMG CoA reductase. Dit middel remt de aanmaak van cholesterol. De lange termijn effecten van deze combinatie behandeling zijn nog niet duidelijk.

Erfelijkheid

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Meestal wordt dan gedacht aan ziekten of eigenschappen die al generaties ‘in de familie’ zitten, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. We proberen het zo duidelijk mogelijk uit te leggen.
Het menselijk lichaam bestaat uit allemaal cellen. In de kern van iedere cel zitten chromosomen. Chromosomen zijn strengen erfelijk materiaal. Ze bestaan uit een stof die we DNA noemen. In dit DNA zit een soort ‘code’ waarin al onze erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd. Het DNA is er in tweevoud: de ene helft van het DNA komt van de vader en de andere helft van de moeder.
Normaal gesproken zijn er per cel 22 gelijke chromosoomparen (autosomen). Het 23e paar is geslachtsbepalend en dus verschillend bij mannen en vrouwen: een vrouw heeft twee X-chromosomen en een man heeft een X- en een Y-chromosoom. Een man erft het Y-chromosoom altijd van zijn vader en het X-chromosoom van zijn moeder. Een vrouw krijgt van haar vader én van haar moeder een X-chromosoom.
Op de chromosomen zitten de genen. Een gen is een stukje DNA. Elk gen beschrijft de code van één erfelijke eigenschap. Bijvoorbeeld hoe je eruitziet en hoe je lichaam werkt. Van elk gen zijn er twee kopieën: één afkomstig van de moeder, één afkomstig van de vader. Als er een verandering in een gen optreedt, heet dat een mutatie.

Autosomaal recessief

Deze stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen (het gen met de mutatie) niet op de geslachtschromosomen X en Y ligt maar op één van de 22 gewone chromosomen. Zowel jongens als meisjes kunnen de aandoening dan krijgen. Ook is de kopie van het gen op het ene chromosoom zwakker dan de functionerende kopie van het gen op het andere chromosoom. Dit wordt bedoeld met de term recessief. Dit betekent meestal dat dragers van één afwijkend gen daarvan geen klachten hebben, omdat het functionerende gen op het andere chromosoom wel werkt en de taak van de afwijkende kopie compenseert.
Om ziekteverschijnselen te hebben zijn er dus twee afwijkende genen nodig. Iemand met een autosomaal recessief overervende stofwisselingsziekte heeft van allebei de ouders precies het afwijkende deel van het gen geërfd. Bij deze persoon zorgt deze combinatie voor een genetische code die niet werkt. Hierdoor kan één enzym of eiwit niet of niet voldoende worden gemaakt. Dat zorgt voor de ziekteverschijnselen.

Dragerschap en overerving

In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan gezonde dragers. Het functionerende gen op het andere chromosoom zorgt ervoor dat het benodigde enzym of eiwit bij hen voldoende wordt aangemaakt. Elk mens heeft ongeveer 25.000 genen. En elk mens draagt meerdere recessief afwijkende genen met zich mee en merkt daar meestal helemaal niets van. De variatie in onze genen, inclusief de recessieve afwijkingen, maken ons tot unieke individuen. Maar zorgen er dus ook voor dat er ineens een kind kan worden geboren met een erfelijke aandoening. Zonder dat die aandoening in de familie voorkomt. Zonder dat ouders wisten dat zij drager waren.
Als we weten dat beide ouders drager zijn van hetzelfde afwijkende gen, weten we dat ze bij elke zwangerschap een kans van 1 op 4 (25%) hebben op een kind met de ziekte. Ook hebben ze een kans van 3 op 4 (75%) op een kind dat niet ziek is. Van de gezonde kinderen zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn of haar DNA.

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

Cerebrotendineuze xanthomatose
CTX
Cerebrale cholesterinose

Meest gebruikte naam

Cerebrotendineuze xanthomatose

Kenniskaarten:

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er zijn 14 leden met ‘Cerebrotendineuze xanthomatose’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

15 July 2021

Autorisatie door:

dr. A. Verrips

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reacties zijn gesloten.