CDG-1k (mannosyltransferase 1 deficiëntie)

CDG-1k (mannosyltransferase 1 deficiëntie) 

Inleiding

CDG-1k (ALG1-CDG) is een zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. Met ‘stofwisseling’ wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen. Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden omgezet en hoopt zich op in de cel. Als dit tot klachten leidt, noemen we het een stofwisselingsziekte.

Achtergrond
Congenitale defecten van de glycosylering
De congenitale defecten van de glycosylering werden vroeger ook wel Carbohydrate Deficient Glycoprotein syndrome genoemd. Tegenwoordig wordt gesproken over Congenitale Defecten in de Glycosylering. In beide gevallen is de afkorting CDG. Het gaat om een groep van ziekten waarbij er iets misgaat met de vorming van glycoproteïnen. 

Glycoproteinen
Glycosylering is een proces in de cel waarbij suikerketens, glycanen, worden gevormd en vervolgens aan een eiwit worden verbonden. De stoffen die zo ontstaan zijn glycoproteinen. Glycoproteïnen hebben verschillende functies in het lichaam. Sommige vervullen de functie van hormonen, andere zijn nodig voor de bloedstolling, het afweersysteem of voor transporten. 
Glycosylering gebeurt op speciale plaatsen binnen de cel. Het grootste deel van het glycosyleringsproces speelt zich af in het Endoplasmatisch Reticulum en in het Golgi-apparaat. Dat zijn kleine onderdeeltjes van de cel, waarin eiwitten als het ware worden ‘aangekleed’: stap voor stap worden er suikerketens opgebouwd en aan het eiwit geplakt. Er zijn meer dan honderd verschillende enzymen bij de vorming van glycoproteïnen betrokken. Als door een aangeboren afwijking, één van die enzymen niet werkt of niet aanwezig is in het lichaam van een patiënt, kunnen de glycoproteïnen niet op de juiste manier gemaakt worden. Er worden dan bijvoorbeeld veel te weinig suikerketens aan het glycoproteïne geplakt. Daardoor kunnen de glycoproteïnen hun functie in het lichaam niet goed uitvoeren. Bij zulke defecten, spreken we van CDG. 
Omdat glycoproteïnen op zoveel plaatsen in het lichaam een belangrijke functie hebben, zorgt een fout in de productie van glycoproteïnen ervoor dat veel verschillende organen op de een of andere manier problemen hebben. CDG is dan ook een ziekte die in de meeste gevallen invloed heeft op het hele lichaam.

Veel verschillende vormen van CDG
Tot dusver zijn zo’n 100 verschillende varianten van deze ziekte geïdentificeerd waarvan de meeste zeer zeldzaam zijn. CDG-1k valt er ook onder. 

Het defecte of ontbrekende Enzym bij CDG-1k (ALG1-CDG)
Het enzym dat bij patiënten met CDG-1j (DPAGT1-CDG) niet goed werkt is het enzym beta-1,4-mannosyltransferase

Zeldzaamheid
Het CDG syndroom is zeldzaam. De CDG-1k (DPAGT1-CDG) variant is één van de varianten die heel weinig voorkomt. Zo zijn er maar een enkele patiënten bekend (ongeveer 30) met deze variant.  
 

Symptomen

Kinderen met CDG-1k (ALG1-CDG) hebben vaak al vanaf hun geboorte enkele opvallende afwijkingen. Ze zijn vaak heel klein bij de geboorte. Enkele patientjes hebben extra vocht en orgaan oedeem  (hydrops). Heel zeldzaam bestaat ook een multisysteem aandoening met grote lever en hart functie stoornis.
Sommige kinderen zijn geboren met gewrichten contracturen. Andere zijn heel erg slap (hypotoon) De meeste kinderen met CDG 1k hebben vaak typische gelaatskenmerken. Ze hebben een kleine hoofd (microcephalie) Ook komt scheelzien voor. Daarnaast zijn er patiënten met heel ernstige oogafwijkingen, met visus verlies vlak na de geboorte.
Kinderen met CDG-1k (ALG1-CDG) worden geboren met een hersenafwijking die ervoor zorgt dat ze heel vaak ernstige epilepsie hebben, en ook vaak meer moeite hebben met het coördineren van hun bewegingen vanwege de slapte in de spieren (hypotonie). Veel patiënten hebben daardoor moeite om te leren staan en lopen en vaak zijn ze gebonden aan een rolstoel. 
Daarnaast kan een microcefalie ook dus voorkomen. Dit is een aandoening van het centrale zenuwstelsel waardoor de omvang van de schedel te klein is. Dit leidt ertoe dat de hersenen zich niet volledig kunnen ontwikkelen. Ook kan de onderkaak minder gegroeid zijn waardoor de kin minder ontwikkeld is. Daarnaast kunnen patiënten last hebben van epileptische aanvallen en mentale retardatie.  In een deel van de kinderen gehoor (centraal gehoor) is ook beperkt.
Jonge patiëntjes eten en groeien vaak slecht, waardoor het nodig kan zijn om de kinderen met een sonde (bij) te voeden. Deze voedingsproblemen leiden samen met de neurologische problemen  in veel gevallen tot een ontwikkelingsachterstand. Dit uit zich bijvoorbeeld in spraakproblemen. Veel van de patiënten kunnen niet of nauwelijks praten, maar vaak begrijpen ze wel veel. Een spraakcomputer biedt voor zulke patiënten vaak een mogelijkheid om toch met hun ouders en omgeving te kunnen communiceren. De ontwikkelingsachterstand is ook zichtbaar in de verkrampte houding van de patiënt. Vergroeiingen kunnen erger worden als die er op jonge leeftijd ook al waren.  

Er zijn verschillende laboratorium afwijkingen, inclusief stollingsproblemen en neiging tot bloeding. Kinderen hebben ook een verhoogde risico op thrombose. Ze krijgen vaak infecties. Leverfunctie kan ook afwijkend zijn.
De eerste levensjaren zijn kritiek, waarbij er ernstige infecties of problemen met de lever of het hart op kunnen treden. Het gevolg hiervan kan zijn dat het patiëntje al op jonge leeftijd komt te overlijden. 

Sinds kort weten wij dat patiënten volwassenen kunnen worden en de diagnose pas krijgen na de leeftijd van 20 jaar. Deze patiënten hebben  een mildere aandoening met epilepsie en een ontwikkelingsachterstand. Vaak ook een taalachterstand.
 

Diagnose

Er is een laboratoriumtest waarmee patiënten kunnen worden gescreend op CDG-defecten. In die test wordt het bloed onderzocht op transferrine, een glycoproteïne. De test laat zien of het transferrine normaal gevormd is, of dat er afwijkingen zijn in de suikerketens van het transferrine. Als het transferrine afwijkend is, is dat een aanwijzing dat de patiënt één van de varianten van CDG heeft. Uit het testresultaat is echter niet af te lezen welke variant de patiënt heeft. Bovendien kan de transferrinetest ook een afwijkende uitslag geven bij sommige andere stofwisselingsziekten. Daarom is het vrijwel altijd nodig om vervolgonderzoeken te doen. Daarvoor wordt vaak extra bloed afgenomen, of een stukje huid.
Met de extra laboratoriumonderzoeken is het voor artsen mogelijk om het precieze enzymdefect aan te wijzen dat de ziekte van de patiënt veroorzaakt. Dat is niet alleen nodig om de diagnose met zekerheid te kunnen stellen, maar is ook belangrijk als de ouders van de patiënt graag nog meer kinderen willen krijgen.

Wanneer screenen op CDG?
Patiënten met CDG hebben soms zulke uiteenlopende symptomen, dat het moeilijk is om te bepalen of een transferrinetest zinvol is. Over het algemeen zullen artsen een transferrinetest doen als de patiënt een onverklaarbare verstandelijke of motorische ontwikkelingsachterstand heeft, in combinatie met één of meerdere orgaanproblemen.
Omdat CDG erg zeldzaam is, kan het soms moeilijk zijn om de juiste diagnose te vinden. Toch zijn er steeds meer artsen die wel eens van deze groep van ziekten gehoord hebben. Daardoor zijn er in de laatste jaren veel meer patiënten gediagnosticeerd en zijn er verschillende nieuwe varianten van de ziekte ontdekt.

Prenatale diagnostiek
Omdat er zoveel verschillende soorten CDG zijn, is prenatale diagnostiek alléén mogelijk als het precieze enzymdefect of genetisch defect van een patiënt bekend is. Alleen dan kunnen ouders bij een volgende zwangerschap laten testen of het ongeboren kindje de ziekte ook heeft.

Behandeling

CDG-1k (ALG1-CDG) is niet te genezen. Het is alleen mogelijk om met verschillende behandelingen de symptomen van de ziekte zoveel mogelijk te verlichten. Kine behandeling, logopedie en veel simulatie zijn essentieel in de behandeling. Zo kan een kind een neusmaagsonde krijgen als het veel moeite heeft met eten. Ook wordt vaak uit voorzorg antibiotica gegeven, om infecties te voorkomen. Het is van belang dat de patiëntjes regelmatig onder controle blijven van een kinderarts metabole ziekten, zodat eventuele problemen vroegtijdig kunnen worden ontdekt.
 

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Dat betekent dat je met de ziekte geboren wordt en er niet van kan genezen. Het betekent meestal dat de ouders van te voren niet hadden kunnen weten dat hun kind ziek zou worden. In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan “gezonde dragers” van een afwijkend gen en hebben daarnaast het normale gen (zie onder). Het normale gen zorgt ervoor dat het benodigde enzym bij hen voldoende aangemaakt wordt. Een kind met de ziekte heeft twee afwijkende genen en mist het normale gen. Daardoor wordt het enzym niet of onvoldoende aangemaakt.

Autosomaal recessief
In elke cel van het lichaam is het erfelijke materiaal in tweevoud aanwezig en is verdeeld in chromosoomparen. Er zijn per cel 22 gelijke paren (autosomen), terwijl het 23e paar geslacht-bepalend is en verschilt tussen een vrouw, die twee X chromosomen heeft en een man die een X en een Y Chromosoom heeft.

Deze Stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen op één van de 22 gewone chromosomen ligt. Zowel jongens als meisjes kunnen ziek zijn. Daarnaast is een afwijkend gen op een van de twee chromosomen ondergeschikt aan het normale gen op het andere chromosoom (recessief), die in dat geval compenseert. Dit gebeurt bij een “gezonde dragers”, die de ziekte dus niet zal krijgen. Er zijn dus twee afwijkende genen nodig om de ziekte te krijgen. Een kind met een stofwisselingsziekte heeft van allebei zijn ouders een afwijkend gen geërfd.

De ouders zijn niet ziek, maar zijn wel drager van het afwijkende gen. Daardoor hebben ze 25% kans (1 op 4) bij elke zwangerschap op een kind met de ziekte. Ook hebben ze 75% (3 op 4) kans op een kind dat niet ziek is. Daarvan zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn DNA.
 

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

Congenitale defecten in de glycosylering type 1k                                                                                             
Congenital disorder of glycosylation, type 1k
CDG-1k
ALG1 deficiency / deficiëntie

 

Kenniskaarten:

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er zijn momenteel geen leden met ‘CDG-1k (mannosyltransferase 1 deficiëntie)’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

24 April 2017

Autorisatie door:

E. Morava

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reacties zijn gesloten.