CDG-1a (PMM2-CDG)

CDG-1a (PMM2-CDG) 

Inleiding

CDG-1a (PMM2-CDG) is een zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. Met 'stofwisseling' wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen. Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden omgezet en hoopt zich op in de cel. Als dit tot klachten leidt, noemen we het een stofwisselingsziekte.

Achtergrond
Congenitale defecten van de glycosylering
De Belgische kinderarts professor Jaeken, was de eerste die twee kinderen met CDG beschreef, in 1978. Zijn patiëntjes leden aan de variant CDG-1a (PMM2-CDG), die ook wel het syndroom van Jaeken wordt genoemd naar de ontdekker ervan. Dit is de meest voorkomende vorm van CDG.
De congenitale defecten van de glycosylering werden vroeger ook wel Carbohydrate Deficient Glycoprotein syndrome genoemd. Tegenwoordig wordt gesproken over Congenitale Defecten in de Glycosylering. In beide gevallen is de afkorting CDG. Het gaat om een groep van ziekten waarbij er iets misgaat met de vorming van glycoproteïnen.

Glycoproteinen
Glycosylering is een proces in de cel waarbij suikerketens, glycanen, worden gevormd en vervolgens aan een eiwit worden verbonden. De stoffen die zo ontstaan zijn glycoproteinen. Glycoproteïnen hebben verschillende functies in het lichaam. Sommige vervullen de functie van hormonen, andere zijn nodig voor de bloedstolling, het afweersysteem of voor transporten.
Glycosylering gebeurt op speciale plaatsen binnen de cel. Het grootste deel van het glycosyleringsproces speelt zich af in het Endoplasmatisch Reticulum en in het Golgi-apparaat. Dat zijn kleine onderdeeltjes van de cel, waarin eiwitten als het ware worden 'aangekleed': stap voor stap worden er suikerketens opgebouwd en aan het eiwit geplakt. Er zijn meer dan honderd verschillende enzymen bij de vorming van glycoproteïnen betrokken. Als door een aangeboren afwijking, één van die enzymen niet werkt of niet aanwezig is in het lichaam van een patiënt, kunnen de glycoproteïnen niet op de juiste manier gemaakt worden. Er worden dan bijvoorbeeld veel te weinig suikerketens aan het glycoproteïne geplakt. Daardoor kunnen de glycoproteïnen hun functie in het lichaam niet goed uitvoeren. Bij zulke defecten, spreken we van CDG.
Omdat glycoproteïnen op zoveel plaatsen in het lichaam een belangrijke functie hebben, zorgt een fout in de productie van glycoproteïnen ervoor dat veel verschillende organen op de een of andere manier problemen hebben. CDG is dan ook een ziekte die in de meeste gevallen invloed heeft op het hele lichaam.

Veel verschillende vormen van CDG
Tot dusver zijn zo'n 70 varianten van deze ziekte geïdentificeerd waarvan de meeste zeer zeldzaam zijn. CDG-1a is één van de minder zeldzame varianten. Daarom wordt deze ziekte hier apart beschreven.

Het defecte of ontbrekende enzym bij CDG-1a (PMM2-CDG)
Het enzym dat bij patiënten met CDG-1a (PMM2-CDG) niet goed werkt is phosphomannomutase. De ziekte wordt daarom ook wel phosphomannomutase deficiëntie genoemd.

Zeldzaamheid
Het CDG syndroom is zeldzaam. De CDG-1a (PMM2-CDG) variant komt relatief het meest voor. Op de hele wereld zijn van die variant zo'n 700 patiënten bekend. In Nederland zijn zo'n 25 patiënten.

 

Symptomen

Het enzymdefect bij CDG-1a (PMM2-CDG) heeft gevolgen voor het hele lichaam. Niet alle symptomen zijn direct bij de geboorte aanwezig, maar sommige uiterlijke kenmerken wel. We bespreken de symptomen aan de hand van de leeftijd van de patiënten.

Typische kenmerken bij CDG-1a (PMM2-CDG)

Bij CDG-1a (PMM2-CDG) komen twee verschillende fenotypen voor: 1. Een multisysteem fenotype 2. Een neurologisch fenotype. De meeste patiënten  hebben een multisysteem aandoening, maar een deel van de patiënten heeft alleen of vooral neurologische problemen. Patiënten hebben in de meeste gevallen zowel lichamelijk als geestelijk een achterstand. Er zijn enige patiënten bekend zonder significante klinische verschijnselen. 

Patiënten met een multisysteem aandoening hebben herkenbare uiterlijke kenmerken. Vaak hebben ze strabismus (scheve oogstand), afwijkende vetverdeling op hun lichaam, lange vingers en ingetrokken tepeltjes.  Daarnaast hebben ze slappe spieren (hypotonie), problemen met hun evenwicht, en soms worden ze spastisch. Vaak hebben ze een klein hoofd. Leerproblemen en taalachterstand zijn echt typische symptomen. De patiënten met een multisysteem aandoening  krijgen vaak infecties, en groeien slecht. Er zijn ook leverfunctie problemen, gastrointestinale-, hormonale-, stollings- en hartafwijkingen beschreven. Oudere patiënten krijgen vaak last van zenuwproblemen en ze hebben een verhoogd risico op osteoporose en trombose. Vele patiënten krijgen staar of visus verlies na de puberteit. Nier problemen zijn zeldzaam.

Patiënten met het neurologische fenotype hebben meestal slappe spieren (hypotonie), problemen met hun evenwicht, vaak epilepsie en  spasticiteit. Taalachterstand en geestelijke achterstand komen bijna altijd voor. Deze patiënten hebben in het algemeen een betere levensverwachting dan die met het multisysteem fenotype, doordat buiten het centrale zenuwstelsel geen of weinig andere organen zijn aangedaan.

Kinderen met CDG-1a (PMM2-CDG) hebben vaak al vanaf hun geboorte enkele opvallende afwijkingen aan de huid. Zij hebben ingetrokken tepels en typische vetophopingen in de bilstreek en rond de heupen. Hun huid voelt over het hele lichaam vaak wat deegachtig aan. De meeste kinderen met CDG-1a (PMM2-CDG) hebben daarnaast vaak typische gelaatskenmerken en een smal hoofd.

Baby's en peuters
Veel baby's en peuters met CDG-1a (PMM2-CDG) zijn erg slap. Deze jongste patiëntjes eten en groeien vaak slecht, waardoor het nodig kan zijn om de kinderen met een sonde (bij) te voeden. De kinderen hebben al vrij snel een ontwikkelingsachterstand. Deze wordt veroorzaakt door de voedingsproblemen en door neurologische problemen die het gevolg zijn van de ziekte.
Bij sommige patiënten worden hele specifieke leverafwijkingen gevonden. Ook kan de lever wat vergroot zijn, maar dit neemt af als de patiënt ouder wordt. Patiëntjes kunnen daarnaast hartafwijkingen en ook afwijkingen aan het centrale zenuwstelsel hebben. Deze afwijkingen kunnen ervoor zorgen dat de kinderen al op jonge leeftijd komen te overlijden.
Een levensgevaarlijke complicatie van de ziekte is het voorkomen van erg lage bloedsuikerwaarden. Stollingsproblemen, lage bloedplaatjes en neiging tot thrombose of bloeding zijn bekende tekenen van CDG Ia (PMM2-CDG). Een van de meest gevaarlijke complicaties van de ziekte is hersenbloeding of stroke-like episoden. Een deel van de patiënten hebben vochtopstapeling in hun buikstreek of rond het hart. De nierfunctie kan ook achteruitgaan, waardoor de patiënten eiwit verliezen door de nieren.

Jonge kinderen
CDG-1a (PMM2-CDG) kinderen hebben in hun kleutertijd en vroege jeugd een neiging om plotseling heel erg ziek te worden. Vaak is de oorzaak een normale kinderziekte, zoals waterpokken of een infectie. Doordat hun lichaam zo heftig op de ziekte reageert, kunnen ze levensbedreigend ziek worden. Helaas overlijdt een deel van de patiënten aan de gevolgen van zo'n ernstige en acute ziekteperiode.
Kinderen met CDG-1a (PMM2-CDG) worden geboren met een hersenafwijking die ervoor zorgt dat ze meer moeite hebben met het coördineren van hun bewegingen. Veel patiënten hebben daardoor moeite om te leren staan en lopen en vaak zijn ze gebonden aan een rolstoel. Vroeger werd gedacht dat CDG-1a (PMM2-CDG) patiënten nooit konden leren lopen, maar er zijn meerdere patiënten die het tegendeel bewezen hebben.
Vaak blijkt op deze leeftijd dat kinderen met CDG-1a (PMM2-CDG) een ontwikkelingsachterstand hebben. Ook kunnen ze last hebben van epileptische aanvallen. Er zijn enkele patiënten beschreven met een milde vorm van de ziekte met mentale retardatie en coördinatieproblemen.

Oudere kinderen
Als CDG-1a (PMM2-CDG) kinderen ouder worden, lijken de problemen met epileptische aanvallen en acute ziekteperioden zich wat te stabiliseren. Wel wordt het meer en meer duidelijk dat hun ontwikkeling achterblijft. Veel patiënten zijn verstandelijk gehandicapt, maar er zijn grote verschillen in de ernst van deze handicap. Veel patiënten hebben spraakproblemen. Veel van hen kunnen niet of nauwelijks praten, maar vaak begrijpen ze wel veel. Een spraakcomputer biedt voor zulke patiënten vaak een mogelijkheid om toch met hun ouders en omgeving te kunnen communiceren.
De wat oudere kinderen met CDG-1a (PMM2-CDG) krijgen wel vaak problemen met hun spieren en gewrichten. De vergroeiingen door een verkrampte houding kunnen erger worden als die er op jonge leeftijd ook al waren.
Vrouwelijke patiënten met CDG-1a (PMM2-CDG) ontwikkelen niet altijd secundaire geslachtskenmerken (borsten, schaamhaar) als zij in de puberteit komen.

Sociaal karakter
Hoewel het door de spraakproblemen soms moeilijk is om te communiceren met CDG-1a (PMM2-CDG) patiëntjes, zijn het over het algemeen hele sociale en blijmoedige kinderen met een sterke wil. Hun geheugen is vaak erg goed en ze kunnen enthousiasme steken in het leren van iets nieuws.

Diagnose

Er is een laboratoriumtest waarmee patiënten kunnen worden gescreend op CDG-defecten. In die test wordt het bloed onderzocht op transferrine, een glycoproteïne. De test laat zien of het transferrine normaal gevormd is, of dat er afwijkingen zijn in de suikerketens van het transferrine. Als het transferrine afwijkend is, is dat een aanwijzing dat de patiënt één van de varianten van CDG heeft. Uit het testresultaat is echter niet af te lezen welke variant de patiënt heeft. Bovendien kan de transferrinetest ook een afwijkende uitslag geven bij sommige andere stofwisselingsziekten. Daarom is het vrijwel altijd nodig om vervolgonderzoeken te doen. Daarvoor wordt vaak extra bloed afgenomen, of een stukje huid.
Met de extra laboratoriumonderzoeken is het voor artsen mogelijk om het precieze enzymdefect aan te wijzen dat de ziekte van de patiënt veroorzaakt. Dat is niet alleen nodig om de diagnose met zekerheid te kunnen stellen, maar is ook belangrijk als de ouders van de patiënt graag nog meer kinderen willen krijgen.

Prenatale diagnostiek
Als het zeker is dat de patiënt CDG-1a (PMM2-CDG) heeft, kunnen ouders bij een volgende zwangerschap laten testen of het ongeboren kindje de ziekte ook heeft.

Behandeling

CDG-1a (PMM2-CDG) is niet te genezen. Het is alleen mogelijk om met verschillende behandelingen de symptomen van de ziekte zoveel mogelijk te verlichten. Zo kan een kind een neus-maagsonde krijgen als het veel moeite heeft met eten. Ook wordt vaak uit voorzorg antibiotica gegeven, om infecties te voorkomen. Het is van belang dat CDG-1a (PMM2-CDG)-patiëntjes regelmatig onder controle blijven van een kinderarts metabole ziekten, zodat eventuele problemen vroegtijdig kunnen worden ontdekt.
Hoewel de ondersteunende behandelingsmogelijkheden de overlevingskansen van CDG-patiënten vergroten, overlijdt ongeveer twintig procent van de kinderen in de eerste levensjaren. Vaak komt dat door een ernstige infectie of door problemen met de lever of het hart. Kinderen die de moeilijke eerste levensjaren hebben overleefd, hebben over het algemeen een goede levensverwachting, alhoewel het moeilijk is om die precies in te schatten.

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Dat betekent dat je met de ziekte geboren wordt en er niet van kan genezen. Het betekent meestal dat de ouders van te voren niet hadden kunnen weten dat hun kind ziek zou worden. In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan “gezonde dragers” van een afwijkend gen en hebben daarnaast het normale gen (zie onder). Het normale gen zorgt ervoor dat het benodigde enzym bij hen voldoende aangemaakt wordt. Een kind met de ziekte heeft twee afwijkende genen en mist het normale gen. Daardoor wordt het enzym niet of onvoldoende aangemaakt.

Autosomaal recessief
In elke cel van het lichaam is het erfelijke materiaal in tweevoud aanwezig en is verdeeld in chromosoomparen. Er zijn per cel 22 gelijke paren (autosomen), terwijl het 23e paar geslacht-bepalend is en verschilt tussen een vrouw, die twee X chromosomen heeft en een man die een X en een Y chromosoom heeft.

Deze stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen op één van de 22 gewone chromosomen ligt. Zowel jongens als meisjes kunnen ziek zijn. Daarnaast is een afwijkend gen op een van de twee chromosomen ondergeschikt aan het normale gen op het andere chromosoom (recessief), die in dat geval compenseert. Dit gebeurt bij een “gezonde dragers”, die de ziekte dus niet zal krijgen. Er zijn dus twee afwijkende genen nodig om de ziekte te krijgen. Een kind met een stofwisselingsziekte heeft van allebei zijn ouders een afwijkend gen geërfd.

De ouders zijn niet ziek, maar zijn wel drager van het afwijkende gen. Daardoor hebben ze 25% kans (1 op 4) bij elke zwangerschap op een kind met de ziekte. Ook hebben ze 75% (3 op 4) kans op een kind dat niet ziek is. Daarvan zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn DNA.

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

Congenital disorder of glycosylation, type 1a
CDG-1a
Phosphomannomutase 2 deficiency / deficiëntie
PMM2 deficiency / deficiëntie
Carbohydrate-deficient glycoprotein syndrome, type 1a
Syndroom van Jaeken

Meest gebruikte naam

CDG-1a (PMM2-CDG)

Zorgpad:


Zorgpad PMM2cdg vr patienten

Zorgpad PMM2cdg vr patienten

Zorgpad PMM2cdg vr professionals

Zorgpad PMM2cdg vr professionals

Kenniskaarten:

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er zijn 28 leden met ‘CDG-1a (PMM2-CDG)’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

04 April 2016

Autorisatie door:

dr. E. Morava

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reageren is niet mogelijk