Batten-Spielmeyer-Vogt NCL3

Batten-Spielmeyer-Vogt NCL3 

Inleiding

Neuronale Ceroid Lipofuscinose type 3 (NCL3), ook wel JNCL of de ziekte van Batten-Spielmeyer-Vogt (BSV) genoemd , is een zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. Met ‘stofwisseling’ wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren, botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam, waarbij enzymen nodig zijn. Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden omgezet en hoopt zich op in de cel, terwijl het mogelijk belangrijke product te weinig of soms helemaal niet meer gevormd wordt. Deze situatie kan tot min of meer ernstige klachten leiden. Dit noemen we een stofwisselingsziekte.

Achtergrond:
Er zijn inmiddels 14 verschillende vormen van Neuronale Ceroid Lipofuscinosen (NCL) beschreven. Al deze vormen van NCL hebben vergelijkbaar beloop van progressieve ziekteverschijnselen, zoals  stoornissen in het zien, motorische en cognitieve achteruitgang, epilepsie en (vroegtijdig) overlijden.

Alle verschillende Neuronale Ceroïd Lipofuscinosen (NCL) zijn het gevolg van een gestoorde stofwisseling door het ontbreken of niet goed functioneren van bepaalde enzymen in het lichaam. Hierdoor worden pigmentstoffen, ceroid lipofuscines, opgeslagen in alle lichaamscellen maar voornamelijk in de zenuwcellen van patiënten. Daardoor staan de gevolgen in de zenuwcellen van ogen en hersenen bij deze ziekten het meest op de voorgrond.

NCL3, JNCL of Batten-Spielmeyer-Vogt is een van deze groep progressieve, neurologische aandoeningen. De aanduiding juveniel slaat op de leeftijd waarop de eerste symptomen doorgaans opgemerkt worden. Meestal wordt de diagnose tussen het vijfde en achtste levensjaar van het kind gesteld.

Er zijn nog drie andere vormen van NCL, waar een aparte ziektebeschrijving van is:
 
NCL1 of infantiele NCL (INCL)  wordt ook wel de ziekte van Haltia-Santavuori genoemd. Kinderen met deze vorm krijgen hun eerste symptomen vanaf dat ze ongeveer een jaar oud zijn. Door de snelheid waarmee hun ziekteverschijnselen verergeren, worden ze meestal niet ouder dan twaalf jaar.

NCL2, of laat-infantiele NCL (JNCL ) wordt ook wel  de ziekte van Jansky-Bielschowsky genoemd. Deze ziekte verloopt iets trager. Vanaf ongeveer het derde jaar beginnen de symptomen. De meeste kinderen met de ziekte van Jansky-Bielschowksy overlijden voor hun vijftiende levensjaar.

Onder de volwassen vorm van NCL, ook wel adulte NCL (ANCL) genoemd, vallen verschillende vormen van NCL. Eén daarvan is de ziekte van Kufs (NCL4). Alle adulte vormen hebben met elkaar gemeen dat ze beginnen op (jong-)volwassen leeftijd en langzamer verlopen. Het ziektebeeld kan ook op oudere leeftijd na het veertigste jaar beginnen. Vaak wordt het dan verward worden met andere dementerende ziektes.

Lysosomale stapelingsziekten
Lysosomen zijn onderdelen in de cellen van een mens. Het zijn in feite de recyclefabriekjes van de cel, waar moleculen worden afgebroken. Dit zijn oude, kapotte cel onderdelen, of bijvoorbeeld delen van virussen of bacteriën die door het lichaam zijn vernietigd. In deze lysosomen worden grote moleculen in kleinere stukken geknipt, waarna ze vervolgens door de Cel hergebruikt worden. De gemiddeld 300 lysosomen in een Cel zijn zeer verschillend. Hun vorm is afhankelijk van welke moleculen ze precies moeten afbreken. Binnen een lysosoom zijn zo’n tientallen enzymen actief, die elk een specifieke stap in het verknippen van een stof uitvoeren. Als er een Enzym ontbreekt of zijn werk niet goed doet, kan één stap in de verwerking niet worden uitgevoerd. De stof die verwerkt had moeten worden, hoopt zich dan op in het lysosoom. Vandaar de naam lysosomale stapelingsziekten: een ongewenste stof stapelt zich op in het lysosoom. Dit heeft gevolgen voor de cel en uiteindelijk ook voor de organen en het lichaam.

Defect enzym
De biochemische oorzaak van deze lysosomale stapelingsziekte is nog onbekend. NCL3 wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een niet-werkend enzym waardoor het lichaam bepaalde stoffen niet af kan breken en er stapeling van ceroid lipofuscine optreedt. Hoewel men altijd gedacht heeft dat deze stapeling de oorzaak is van het achteruitgaan van de cel-functie, lijkt het er steeds meer op, dat er naast stapeling andere, belangrijker, factoren zijn die de cel-functie verstoren. Welke dat zijn, wordt nog onderzocht. Het eerste symptoom is meestal een snelle verslechtering van het gezichtsvermogen door verstoring van de functie van de zenuwcellen in het netvlies.
Het is nog onbekend wat de functie is van het enzym dat NCL3 veroorzaakt. Wel is bekend dat het enzym niet oplosbaar is, maar in het membraan van het lysosoom vastzit.
In 1995 hebben onderzoekers vastgesteld dat het gen voor NCL3 zich bevindt op Chromosoom 16. Op dat chromosoom is nu ook de precieze plaats van het afwijkende gen, dat de code draagt voor het enzym, bekend. De wetenschappers kunnen de bestudering van de verandering van de code gebruiken om verder onderzoek te doen naar oorzaak en eventuele behandeling.

Zeldzaamheid
NCL zijn zeldzame ziekten. Het vóórkomen van de verschillende vormen wordt geschat op ongeveer zestig patiënten in Nederland. NCL3 komt het vaakst voor: bij ongeveer 1 op de 69.000 pasgeborenen. Er zijn tussen de veertig en vijftig patiënten met NCL3 in Nederland.

 

Symptomen

NCL3 begint meestal tussen het vijfde en achtste levensjaar met progressief verlies van het gezichtsvermogen, doordat het netvlies al vroeg in ziekte aangetast wordt. Tot die tijd ontwikkelen de kinderen zich meestal normaal.
De slechtziendheid waarmee hun ziekteverschijnselen beginnen, leidt vaak binnen enkele jaren tot blindheid. Verder stokt de ontwikkeling van het kind. In de loop van de jaren krijgen patiënten toenemende stoornissen in het denken en het korte-termijn geheugen. Zij krijgen bijvoorbeeld steeds meer moeite met het volgen van de lesstof op school, kunnen zich minder goed concentreren en moeten steeds vaker naar woorden zoeken. Later kunnen de kinderen ook psychotisch gedrag vertonen.
De zenuwcellen die de spierspanning regelen gaan achteruit, waardoor de spieren stijf worden. Deze spierstijfheid lijkt op die bij de ziekte van Parkinson. Daarnaast kunnen abnormale elektrische ontladingen in de hersenen ontstaan, waardoor kinderen epilepsie krijgen. Hun motorische vaardigheden gaan steeds meer achteruit. De spierkracht neemt af en de spierstijfheid in armen en benen neemt steeds meer toe. Het lopen gaat met kleine pasjes in een voorovergebogen houding. Er kunnen ook evenwichtsstoornissen en spierschokjes (myo clonieén) optreden. Door motorische achteruitgang wordt gemiddeld tussen het zestiende en achttiende jaar het gebruik van een rolstoel noodzakelijk.
Later in het ziekteproces treden er vaak stoornissen op in de bloedsomloop die kunnen leiden tot kou-gevoel in de benen en voeten en een rood-blauwe kleur van de huid in dat gebied.
Tenslotte gaan allerlei belangrijke lichaamsfuncties zó achteruit dat het kind volledig afhankelijk wordt van zorg.

Er zijn individuele verschillen in het ziekteverloop. Sommige kinderen hebben bijvoorbeeld al vroeg ernstige epilepsie, anderen hebben daar maar weinig last van. Het is moeilijk om een voorspelling te geven over de levensverwachting van kinderen met NCL3. De meeste patiënten overlijden tussen het achttiende en dertigste levensjaar, maar eerder of later komt ook voor.

Diagnose

Het geleidelijk verloop van de meeste vormen van NCL bemoeilijkt het vroegtijdig stellen van de diagnose. De diagnose NCL wordt vaak pas na enkele jaren gesteld. Meestal gebeurt dat door een gespecialiseerde oogarts, neuroloog of kinderarts in een UMC.

De oogarts maakt eerst een elektroretinogram (ERG) om de functie van het netvlies te testen. Deze functie is al vroeg in het ziekteproces gestoord.
De kinderarts of kinderneuroloog maken vaak een Elektro Encefalogram (EEG) en een MRI. Op het EEG worden de elektrische golven uit de hersenen weergegeven. Hiermee kan men ook epileptische activiteit registreren. De MRI geeft een beeld van de structuur van de hersenen. Deze is in het begin van de ziekte meestal nog niet afwijkend.

De arts maakt voor de definitieve diagnose NCL gebruik van klinisch genetisch onderzoek, aangezien het afwijkende gen, dat gelokaliseerd is op chromosoom 16, bekend is, kan er DNA-onderzoek gedaan worden. Als bij onderzoek het afwijkende gen gevonden wordt, is de diagnose gesteld.
Er kan ook specifiek laboratoriumonderzoek gedaan worden. Meestal wordt daarvoor eerst bloed afgenomen. Daarmee wordt onderzoek gedaan naar vacuolen (met vocht gevulde holten) in bepaalde witte bloedlichaampjes. Als deze aanwezig zijn, is dit een grote aanwijzing voor de diagnose NCL3.
Daarnaast kan ook een huidbiopt worden genomen om met een elektronenmicroscoop te onderzoeken of de huidcellen voor NCL3 kenmerkende structuren bevatten.

Prenatale diagnostiek
Wanneer er eerder in een gezin een kind met NCL3 geboren is, is het mogelijk om bij een nieuwe zwangerschap DNA-onderzoek te doen naar de ziekte bij het ongeboren kindje.

Behandeling

Helaas zijn de gevolgen van NCL3 niet te stoppen. De kinderen zullen uiteindelijk aan de gevolgen van de ziekte overlijden. Alle aandacht van de medici richt zich erop te doen wat mogelijk is om de symptomen te bestrijden, zodat de patiënten zo comfortabel mogelijk kunnen leven. Behandeling van epilepsie is bijna altijd nodig en soms kunnen medicijnen tegen Parkinson-verschijnselen tijdelijk een goed effect hebben.
Bij deze ziekten is begeleiding van het gezin waarin een kind leeft ook zeer van belang. Daarnaast hebben ook patiënten vaak begeleiding op psychosociaal vlak nodig. Met name wanneer zij oud genoeg zijn om te begrijpen dat de ziekte progressief is en dat ze achteruit gaan. Ook psychotische verschijnselen in de vorm van wanen en/of hallucinaties kunnen voorkomen. Daarvoor is meestal behandeling met een medicijn zinvol.
Het is belangrijk lichaamsbeweging zo lang mogelijk te bevorderen in de vorm van bijvoorbeeld fietsen op een tandem of zwemmen of bewegen in water. Later kan fysiotherapie noodzakelijk worden om de lichaamshouding te verbeteren. Er zijn wisselende resultaten met medicijnen tegen spierstijfheid en onwillekeurige bewegingen.

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Dat betekent dat je met de ziekte geboren wordt en er niet van kunt genezen. Het betekent meestal dat de ouders van te voren niet hadden kunnen weten dat hun kind ziek zou worden. In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan “gezonde dragers” van een afwijkend gen en hebben daarnaast het normale gen (zie onder). Het normale gen zorgt ervoor dat het benodigde enzym bij hen voldoende aangemaakt wordt. Een kind met de ziekte heeft twee afwijkende genen en mist het normale gen. Daardoor wordt het enzym niet of onvoldoende aangemaakt.

Autosomaal recessief
In elke cel van het lichaam is het erfelijke materiaal in tweevoud aanwezig en is verdeeld in chromosoomparen. Er zijn per cel 22 gelijke paren (autosomen), terwijl het 23e paar geslacht-bepalend is en verschilt tussen een vrouw, die twee X-chromosomen heeft en een man die een X- en een Y-chromosoom heeft.

Deze stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen op één van de 22 gewone chromosomen ligt. Zowel jongens als meisjes kunnen ziek zijn. Daarnaast is een afwijkend gen op een van de twee chromosomen ondergeschikt aan het normale gen op het andere chromosoom (recessief), die in dat geval compenseert. Dit gebeurt bij een “gezonde dragers”, die de ziekte dus niet zal krijgen. Er zijn dus twee afwijkende genen nodig om de ziekte te krijgen. Een kind met een stofwisselingsziekte heeft van allebei zijn ouders een afwijkend gen geërfd.

De ouders zijn niet ziek, maar zijn wel drager van het afwijkende gen. Daardoor hebben ze 25% kans (1 op 4) bij elke zwangerschap op een kind met de ziekte. Ook hebben ze 75% (3 op 4) kans op een kind dat niet ziek is. Daarvan zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn DNA.

 

 

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

Juveniele Neuronale Ceroid Lipofuscinose
J-NCL
Ziekte van Batten Spielmeyer Vogt
BSV
Ceroid lipofuscinosis, neuronal type 3
CLN3
Batten disease

Meest gebruikte naam

Batten-Spielmeyer-Vogt (NCL3 / CLN3)

Kenniskaarten:

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er zijn 18 leden met ‘Batten-Spielmeyer-Vogt NCL3’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

15 January 2018

Autorisatie door:

R. Niezen, AVG bij NCL-expertisecentrum Bartiméus

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reageren is niet mogelijk