Barth syndroom; Taffazin deficiëntie

Barth syndroom; Taffazin deficiëntie 

Inleiding

Je lichaam heeft energie nodig voor alles wat je doet: voor bewegen, denken en het laten kloppen van je hart. Die energie haalt het uit eten, of uit opgeslagen voorraden in spieren en vet. Maar de koolhydraten, vetten en eiwitten die we eten en opslaan, kunnen niet direct gebruikt worden. Ze moeten eerst omgezet worden in een energievorm waar de lichaamscellen mee uit de voeten kunnen. Die stof heet ATP en wordt gemaakt in de energiecentrales van je cellen: de mitochondriën.
Bij patiënten met het Barth syndroom zijn de mitochondriën abnormaal gevormd, waardoor ze minder goed in staat zijn om energie te leveren. Dit geeft de meeste problemen bij onderdelen van het lichaam die veel energie nodig hebben, zoals de spieren en dan met name de hartspier.

Patiënten met het Barth syndroom hebben een defect in het enzym cardiolipine, dat normaal gesproken zorgt voor een goede structuur van het membraan van de mitochondriën. Het tekort aan normaal cardiolipine veroorzaakt de afwijkende mitochondriën bij het Barth syndroom.

Het Barth syndroom is een zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. Hij komt voor bij ongeveer 1 op de 300.000 tot 400.000 pasgeboren kinderen wereldwijd. In Nederland zijn maar een paar families bekend met het Barth syndroom.

Met ‘stofwisseling’ wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen. Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden omgezet en hoopt zich op in de cel, terwijl het mogelijk belangrijke product te weinig of soms helemaal niet meer gevormd wordt. Deze situatie kan tot min of meer ernstige klachten leiden. Dit noemen we een stofwisselingsziekte.

Symptomen

Het ziekteverloop bij het Barth syndroom kan heel verschillend zijn. Soms is direct na de geboorte al een duidelijk hartprobleem of ernstige infectie aanwezig. Maar ook kan de ziekte zich voor het eerst uiten door een achterstand in motorische ontwikkeling. De spierzwakte is niet progressief. Vaak wisselen goede en slechte perioden elkaar af. In slechte perioden heeft het kind vaak last van misselijkheid, braken en diarree. De ziekteverschijnselen zijn vaak erger tijdens perioden van snelle groei. De meeste kinderen zijn ook stress gevoelig, zodat in perioden met veel opwinding (Sinterklaas!) de ziekteverschijnselen erger worden. De verschillende kenmerken van het Barth syndroom worden hieronder nader besproken.

Hartspierzwakte
Patiënten met het Barth syndroom hebben vaak een zwakke hartspier, ook wel cardiomyopathie genoemd. De hartspier heeft onvoldoende kracht en daarom is het hart vaak uitgezet. Om de zwakte te compenseren wordt de hartspier, vooral van de linkerkamer, dikker. Soms treden er ritmestoornissen op. Ook kan er een acute hartstilstand optreden.

Verminderde weerstand tegen infecties (neutropenie)
Patiënten hebben een tekort aan neutrofiele witte bloedlichaampjes. Hierdoor is er minder weerstand tegen bacteriële infecties en schimmels. Er kunnen regelmatig zweertjes in de mond of op de huid voorkomen. Infecties met koorts kunnen langer duren. Dit levert een extra risico op voor het hart, dat tijdens koorts harder moet werken. Er is door het tekort aan witte bloedlichaampjes een verhoogd risico op bloedvergiftiging (sepsis). Het tekort aan witte bloedlichaampjes kan chronisch zijn, maar het kan ook regelmatig terugkeren in een cyclus van ongeveer 21 dagen.

Spierzwakte
Ook de andere spieren van jongens met het Barth syndroom zijn verzwakt. Dit noemen we myopathie. Vaak spreken we van mitochondriële myopathie omdat het enzymdefect dat de ziekte veroorzaakt, gelokaliseerd is in de mitochondriën. De spieren in het lichaam zijn in het algemeen zwak en er treedt snel vermoeidheid op. De spieren rondom de schouders en de heupen zijn meestal meer aangedaan dan de spieren in de handen en voeten. Vaak is er een achterstand in de motorische ontwikkeling. Veel jongens met het Barth syndroom zijn laat met lopen. Ze hebben moeite om op te staan van de grond en moeten zich met hun handen opduwen om recht op te komen. Ook zakken ze door hun schouders als ze opgetild worden onder de oksels. Met lopen hebben ze vaak een waggelende gang.

Achterstand in lichamelijke groei
Jongens met het Barth syndroom zijn meestal erg klein voor hun leeftijd. Vaak zijn in perioden van snelle groei, zoals de zuigelingentijd en de pubertijd, alle ziekteverschijnselen erger. Toediening van groeihormonen heeft geen enkele invloed.

Diagnose

De diagnose wordt meestal gesteld in twee stappen: een screenend onderzoek en onderzoek dat specifiek gericht is op het Barth Syndroom. Bij het screenend onderzoek doet de arts allereerst lichamelijk onderzoek, een echografie van het hart, een thoraxfoto en een elektrocardiogram. Daarna volgt laboratoriumonderzoek van de bloedcellen en de urine. Bij jongens met het Barth syndroom wordt meestal een verhoogde uitscheiding in de urine vastgesteld van enkele organische zuren, vooral het 3-methyl-glutaconzuur. Dat is dus een duidelijke indicatie van de diagnose.
Met specifiek onderzoek kan de diagnose onomstotelijk worden vastgesteld. Daarbij wordt de functie van de mitochondriën onderzocht. Deze hebben bij patiënten met het Barth syndroom een afwijkende functie door een gebrek aan cadiolipine. Cardiolipine bestaat in verschillende vormen, het zogenaamde tetralineoyl-cardiolipine is de actieve vorm. Het is mogelijk bij patiënten met het Barth syndroom de fout in de vorming van tetralineoyl- cardiolipine vast te stellen, onder meer in gekweekte huidcellen (fibroblasten). Als laatste kan nog DNA onderzoek gedaan worden: een mutatieonderzoek van het G 4.5 gen, dat verantwoordelijk is voor het Barth syndroom.

Behandeling

Net als alle stofwisselingsziekten is het Barth syndroom niet te genezen. Er is ook geen specifieke behandeling voorhanden, maar wel kunnen de symptomen zo goed mogelijk bestreden worden.
De hartafwijking kan behandeld worden met de gebruikelijke medicijnen bij hartfalen, zoals digoxine (Lanoxine), Captopril en plastabletten (zoals Lasix). Bij ritmestoornissen is de plaatsing van een pacemaker een mogelijkheid. In het buitenland is inmiddels ervaring opgedaan met harttransplantatie bij kinderen met Barth syndroom. De resultaten zijn in het algemeen goed.
Infecties kunnen bestreden worden en voorkomen worden met antibiotica. Goede controle van de hartfunctie tijdens hoge of langdurige koorts is belangrijk. De jaarlijkse griepprik kan griep met complicaties voorkomen. Neupogen, een stof die de vermeerdering van neutrofiele witte bloedcellen bevordert, blijkt bij Barth syndroom gunstige resultaten te hebben. L-Carnitine kan een positieve invloed hebben op de spierfunctie.
Fysiotherapie is belangrijk voor de stimulering van de ontwikkeling van motorische vaardigheden en voor het op peil houden van conditie op een veilige manier. Begeleiding door een revalidatiecentrum is belangrijk voor een zo goed mogelijk functioneren in het dagelijkse leven van de patiënten en hun naaste familie. Bij vragen over erfelijkheid zijn de klinisch genetische centra in Nederland de aangewezen adviseurs.

Erfelijkheid

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Meestal wordt dan gedacht aan ziekten of eigenschappen die al generaties ‘in de familie’ zitten, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. We proberen het zo duidelijk mogelijk uit te leggen. Het menselijk lichaam bestaat uit allemaal cellen. In de kern van iedere cel zitten chromosomen. Chromosomen zijn een soort strengen. Ze bestaan uit een stof die we DNA noemen. In dit DNA zit een soort ‘code’ waarin al onze erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd. Het DNA is er in tweevoud: de ene helft van het DNA komt van de vader en de andere helft van de moeder. Normaal gesproken zijn er per cel 22 gelijke chromosoomparen (autosomen). Het 23e paar is geslachtsbepalend en dus verschillend bij mannen en vrouwen: een vrouw heeft twee X-chromosomen en een man heeft een X- en een Y-chromosoom. Een man erft het Y-chromosoom altijd van zijn vader en het X-chromosoom van zijn moeder. Een vrouw krijgt van haar vader én van haar moeder een X-chromosoom. Op de chromosomen zitten de genen. Een gen is een stukje DNA. Elk gen beschrijft de code van één erfelijke eigenschap. Bijvoorbeeld hoe je eruitziet en hoe je lichaam werkt. Van elk gen zijn er twee kopieën: één afkomstig van de moeder, één afkomstig van de vader. Als er een verandering in een gen optreedt, heet dat een mutatie.

Geslachtsgebonden recessief of X-gebonden recessief

Deze stofwisselingsziekte erft ‘geslachtsgebonden recessief’ over. Geslachtsgebonden betekent dat het afwijkende gen (het gen met de mutatie) op een geslachtschromosoom ligt. Dat is vrijwel altijd het X-chromosoom. Daarom worden deze ziekten ook ‘X-gebonden recessief’ genoemd. Het afwijkende gen bevindt zich bij X-gebonden recessieve overerving op het X-chromosoom van de moeder. Zij is dus de ‘drager’ van het afwijkende gen. Omdat jongens maar één X-chromosoom hebben, komen deze ziekten vrijwel alleen bij jongens en mannen voor. Zij hebben dan het X-chromosoom met het afwijkende gen van hun moeder gekregen. Er is geen functionerend gen op hun andere chromosoom, het Y-chromosoom, dat de taak van het afwijkende gen kan compenseren. Meisjes hebben twee X-chromosomen. Als zij een X-chromosoom hebben met een afwijkend gen, hebben ze ook nog een X-chromosoom met een functionerend gen dat de taak van het afwijkende gen kan compenseren.

Dragerschap en overerving

In de meeste gevallen heeft de vrouwelijke drager, die op één van haar X-chromosomen een afwijkend gen heeft, nergens last van. Dat komt doordat het functionerende gen op het andere X-chromosoom de taak van het afwijkende gen overneemt. Het functionerende gen zorgt ervoor dat het benodigde enzym of eiwit bij haar voldoende wordt aangemaakt. In sommige gevallen wordt het functionerende gen echter door het chromosoom op ‘uit’ gezet. Dat verklaart mogelijk dat bij sommige X-gebonden ziekten vrouwelijke dragers toch milde klachten ontwikkelen. Zonen van een drager hebben 50% kans om de ziekte te erven. Dochters zijn gezond, maar hebben wel 50% kans dat ze drager zijn van het afwijkende gen. Zij kunnen de ziekte ook weer aan hun zonen doorgeven. Vaak weten vrouwen niet dat ze drager zijn, totdat er een zoon met een stofwisselingsziekte wordt geboren. Een man met een X-gebonden stofwisselingsziekte geeft het afwijkende gen alleen door aan zijn dochters. Zij zullen dan allen drager zijn. De kans dat een man met een X-gebonden stofwisselingsziekte de ziekte aan zijn kinderen doorgeeft, is heel erg klein. Zijn partner moet dan namelijk ook drager zijn van precies dezelfde genafwijking. Als de partner geen familie is, is de kans dat zij dezelfde genafwijking heeft zeer klein.

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

3-Methylglutaconacidurie type 2
Barth Syndroom
Taffazin deficiency
MGA, type 2

Meest gebruikte naam

Barth syndroom (3-Methylglutaconacidurie type 2)

Kenniskaarten:

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er zijn momenteel geen leden met ‘Barth syndroom; Taffazin deficiëntie’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

07 June 2021

Autorisatie door:

Dr. T.J. de Koning

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reacties zijn gesloten.