Aspartylglucosaminurie

Aspartylglucosaminurie 

Inleiding

Aspartylglucosaminurie is een zeer zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. Met 'stofwisseling' wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De Stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen. Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden omgezet en hoopt zich op in de cel. Als dit tot klachten leidt, noemen we het een stofwisselingsziekte.

Zeldzaamheid
Aspartylglucosaminurie is een zeldzame Stofwisselingsziekte die in principe in alle bevolkingsgroepen kan voorkomen. De meeste patiënten zijn echter van Finse afkomst (zo'n 220 van de 250 patiënten op de wereld). In Nederland zijn maar een paar patiënten bekend. AGU komt hier bij ongeveer 1 op de 750.000 levendgeboren kinderen voor.

Achtergrond
Lysosomale stapelingsziekten
Lysosomen zijn onderdelen in de cellen van een mens. Het zijn in feite de recyclefabriekjes van de cel, waar oude, kapotte celonderdelen worden afgebroken, of indringers van buiten een kopje kleiner worden gemaakt. In de lysosomen worden grote moleculen in kleinere stukken geknipt, waarna ze elders in de Cel hergebruikt worden. De gemiddeld 300 lysosomen in een cel zijn zeer verschillend. Hun vorm is afhankelijk van welke moleculen ze precies moeten afbreken. Binnen een lysosoom zijn zo'n vijftig enzymen actief, die elk een specifieke stap in het verknippen van stoffen uitvoeren. Als er een Enzym ontbreekt of zijn werk niet goed doet, kan één stap in de verwerking niet worden uitgevoerd. De stof die verwerkt had moeten worden, hoopt zich dan op in het lysosoom. Vandaar de naam lysosomale stapelingsziekten: een ongewenste stof stapelt zich op in het lysosoom.
Dit heeft gevolgen voor de cel en uiteindelijk ook voor de organen en het lichaam.

Stapeling van korte eiwit- en suikerketens
De stoffen die niet worden afgebroken bij aspartylglucosaminurie, zijn zogenoemde 'oligosacchariden'. Dat zijn korte ketens van eiwitten en/of suikers. Het zijn stoffen die het lichaam nodig heeft om te groeien en voor stevigheid. Ze zitten bijvoorbeeld in botten of kraakbeen. In gezonde mensen worden zulke stoffen continu gemaakt en weer afgebroken. Zo worden ze steeds ververst. Het recyclen gebeurt in de lysosomen. Bij patiënten met aspartylglucosaminurie gaat er bij dat afbreken iets mis, waardoor het recycleproces ergens vastloopt. 

Het defecte of ontbrekende enzym
Bij kinderen met aspartylglucosaminurie is er iets mis met het enzym aspartylglucosaminidase. Dit enzym wordt niet of nauwelijks gemaakt, waardoor verschillende korte eiwit- en suikerketens niet kunnen worden afgebroken. Met name het eiwit aspartylglucosamine hoopt zich op in de organen en zit in grote hoeveelheden in de urine.

Verwante aandoeningen
Aspartylglucosaminurie hoort bij een groep van ziekten, de zogenaamde 'glycoproteïne stapelingsziekten'. Bij alle ziekten in deze groep is er een enzymdefect waardoor de lichaamscellen bepaalde korte eiwit-en suikerketens niet kunnen afbreken. De andere ziekten in deze groep zijn:
α-Mannosidose (defect enzym: α-mannosidase)
β-Mannosidose (defect enzym: β-mannosidase)
α-Fucosidose (defect enzym: α-fucosidase)
Sialidose (defect enzym: α-neuraminidase)
Galactosialidose (defect enzym: beschermfactor voor neuraminidase en β-galactosidase)
Schindler's ziekte (defect enzym: α-N-galactosaminidase)
Mucolipidose 2 / I-cel ziekte (defect enzym: N-acetylglucosamine-1-fosfotransferase)
Mucolipidose 3 (defect enzym: (defect enzym: N-acetylglucosamine-1-fosfotransferase)

Symptomen

Bij kinderen met AGU is na de geboorte niets aan de hand. Ook de zwangerschap en de bevalling verlopen doorgaans normaal. De kinderen krijgen de eerste symptomen als ze tussen de één en vier jaar oud zijn. Wat vaak als eerste opvalt, is dat het kind vaak infecties heeft. Een versnelde groei wordt soms als vroeg verschijnsel bij de ziekte gezien. De kinderen blijven wat achter in hun ontwikkeling, met name in hun spraak- en taalontwikkeling. Ze kunnen perioden met ernstige diarree hebben. De kinderen hebben vaak gedragsproblemen: ze zijn opvallend druk.

Na een paar jaar worden de gelaatstrekken en de gelaatsuitdrukking grover, kunnen er veranderingen in de botten optreden en kan er vertroebeling van de ooglens optreden. Bij jonge kinderen kan er sprake zijn van een lange lengte en relatief grote hoofdomtrek vergeleken met leeftijdgenoten, maar naar mate zij ouder worden zijn ze klein van gestalte en is de omtrek van het hoofd relatief klein. Ook kan er sprake zijn van overmatige groei van het tandvlees. Nog later kunnen er long-, hart- en bloedproblemen ontstaan. Ook kunnen patiënten epilepsie ontwikkelen. Op de volwassen leeftijd hebben patiënten last van ernstige huidinfecties, waarvoor soms operaties nodig zijn.

De kinderen hebben een verstandelijke handicap die Progressief is. Dat wil zeggen dat ze niet alleen langzamer ontwikkelen dan normaal, maar op een gegeven moment weer achteruit gaan en verleren wat ze eerder hadden geleerd. De ontwikkeling bereikt zijn piek als de kinderen 13-18 jaar zijn, en zij functioneren dan op het niveau van een 6-jarig kind. In de tienerjaren treedt een periode op waarin het kind perioden van verwardheid heeft, vaak het begin van achteruitgang. Een snelle achteruitgang van de ontwikkeling wordt gezien vanaf de leeftijd van 25-28 jaar. Het abnormaal koppige en onrustige gedrag duurt bij sommige patiënten tot aan hun volwassenheid. 

De motorische ontwikkeling verloopt aanvankelijk normaal. Vooral in de fijne motoriek zijn afwijkingen zichtbaar. Later gaat een aparte manier van bewegen opvallen. Voornamelijk stijf lopen met de voeten wijd uit elkaar. De meeste patiënten blijven vrijwel hun hele leven in staat om te lopen.

De levensverwachting is korter dan bij gezonde mensen. In Finland overleden mensen met AGU meestal als ze tussen de 25 en 40 jaar waren. Er kunnen echter grote verschillen zijn in de levensduur van patiënten met AGU.

Diagnose

Bij patiënten met aspartylglucosaminurie is het enzym aspartylglucosaminidase niet of nauwelijks actief. Daardoor kunnen ze meerdere stoffen niet goed afbreken, maar de belangrijkste is aspartylglucosamine. Dit eiwit stapelt zich op in de organen van de patiënt. Daarnaast zitten er grote hoeveelheden van dat eiwit in de urine. 
Bij het vermoeden dat een kind aspartylglucosaminurie of een aanverwante stofwisselingsziekte heeft, wordt dan ook eerst de urine getest. Als daarin veel aspartylglucosamine wordt gevonden, is de kans groot dat het kind AGU heeft. Omdat urinetests geen volledige zekerheid geven, wordt daarna ook nog een test gedaan met cellen uit het bloed of uit een stukje huid van de patiënt. Daarin wordt de enzymactiviteit van aspartylglucosaminidase gemeten. Bij geen of heel weinig activiteit kan de diagnose met zekerheid gesteld worden.

Families waarbij er een kind met AGU gediagnosticeerd is, kunnen het beste contact opnemen met een Klinisch Genetisch Centrum als ze nog meer kinderen willen krijgen. Het is mogelijk om met een vlokkentest Prenataal te testen of een volgend kind ook AGU heeft.

 

Behandeling

Op dit moment is er voor aspartyglucosaminurie geen behandeling bekend, behalve het bestrijden van de symptomen van de ziekte, zoals eventueel hartklachten, infecties etc. Enzymvervangende therapie wordt momenteel onderzocht in dieren.  Soms kan een beenmergtransplantatie worden overwogen, maar dit is niet voor iedere patiënt geschikt en de effecten hiervan zijn niet op grotere schaal onderzocht.

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Mensen vinden erfelijkheid ingewikkeld. We proberen het zo duidelijk mogelijk uit te leggen.

Het menselijke lichaam bestaat uit allemaal cellen. In de kern van elke cel is erfelijk materiaal aanwezig. Dit noemen we DNA. Het DNA bevat alle erfelijke eigenschappen. Dat DNA is er in tweevoud: de helft van het DNA komt van de vader en de andere helft van de moeder. De chromosomen bevatten stijf opgerolde DNA-strengen. Je kunt ze onder een microscoop waarnemen, als de cel zich deelt. Er zijn normaal gesproken per cel 22 gelijke paren chromosomen (autosomen), terwijl het 23e paar geslacht-bepalend is en bij een vrouw twee X chromosomen en bij een man een X en een Y chromosoom heeft. Een man erft het Y chromosoom altijd van zijn vader een vrouw krijgt van haar moeder een X chromosoom en van haar vader het andere X chromosoom. De chromosomen bevatten de genen die met een hele lange streng letters een recept of code vormen voor één erfelijke eigenschap. Ook de genen bestaan dus voor de helft uit materiaal afkomstig van vader en voor de andere helft uit materiaal afkomstig van moeder.

Autosomaal recessief
Deze stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen op één van de 22 gewone chromosomen ligt , niet op de geslachtschromosomen X en Y. Zowel jongens als meisjes kunnen de aandoening dan krijgen. Ook is het afwijkende deel van het gen ondergeschikt aan het functionele gen afkomstig van het andere chromosoom. Dit wordt bedoeld met de term recessief. Dit betekent meestal dat dragers van één afwijkend gen daarvan geen klachten hebben, omdat het functionerende gen  op het andere chromosoom de taak van het afwijkende gen compenseert.

Er zijn dus twee afwijkende genen nodig om ziekteverschijnselen te hebben. Een persoon met een autosomaal overervende stofwisselingsziekte heeft van allebei de ouders precies het afwijkende deel van het gen geërfd. Bij deze persoon zorgt deze combinatie voor een genetische code die niet werkt. Hierdoor kan één enzym of eiwit niet of niet voldoende worden gemaakt. Dat zorgt voor de ziekteverschijnselen.

Dragerschap en overerving
In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan gezonde dragers. Het functionerende gen  op het andere chromosoom zorgt ervoor dat het benodigde enzym of eiwit bij hen voldoende aangemaakt wordt. Elk mens heeft ongeveer 25.000 genen. Elk mens draagt tenminste zeven recessieve afwijkende genen met zich mee. Deze afwijkende genen, maken ons deels tot unieke individuen. Maar zorgen er dus ook voor dat er ineens een kind geboren kan worden met een erfelijke aandoening. Zonder dat die aandoening in de familie voorkomt. Zonder dat ouders wisten dat zij drager waren.

Wanneer men weet dat beide ouders drager zijn van hetzelfde afwijkende gen, weten we dat ze bij elke zwangerschap een kans van 1 op 4 (25%)  hebben op een kind met de ziekte. Ook hebben ze 75% (3 op 4) kans op een kind dat niet ziek is. Van de gezonde kinderen zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn DNA.

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

AGU
Aspartylglucosaminurie
Glycosylasparaginase deficiency / deficiëntie
Aspartylglucosaminidase deficiency / deficiëntie
AGA deficiency / deficiëntie
Glycoasparaginase deficiency / deficiëntie

Meest gebruikte naam

Aspartylglucosaminurie

Kenniskaarten:

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er zijn 3 leden met ‘Aspartylglucosaminurie’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

19 May 2014

Autorisatie door:

prof. dr. F.A. Wijburg

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reageren is niet mogelijk