α1-antitrypsine

α1-antitrypsine 

Inleiding

α-1-antitrypsine deficiëntie (AAT deficiëntie) is een erfelijke stofwisselingsziekte. Met 'stofwisseling' wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen. Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden omgezet en hoopt zich op in de cel, terwijl het mogelijk belangrijke product te weinig of soms helemaal niet meer gevormd wordt. Deze situatie kan tot min of meer ernstige klachten leiden. Dit noemen we een stofwisselingsziekte.

Enzymremmer
α-1-antitrypsine is een eiwit dat wordt gemaakt in de lever. Via het bloed komt α-1-antitrypsine in de longen. Hier remt het bepaalde stofjes die de elasticiteit van de longen aantasten. Patiënten met AAT deficiëntie kunnen α-1-antitrypsine echter niet goed maken of de lever kan het eiwit niet goed uitscheiden. Als gevolg hiervan zijn de longen niet voldoende beschermd tegen de stofjes die de elasticiteit aantasten. 

Er zijn verschillende vormen AAT deficiëntie. Bij de meest voorkomende vormen wordt het eiwit verkeerd gemaakt, maar er is ook een vorm waarbij er geen α-1-antitrypsine wordt gemaakt. Als het eiwit verkeerd gevormd is, kan het eiwit de levercellen niet goed uit. Hierdoor stapelt het verkeerd gemaakte α-1-antitrypsine op in de levercellen en komt er te weinig α-1-antitrypsine in het bloed. Als α-1-antitrypsine helemaal niet gemaakt wordt, stapelt er niks op in de lever en komt er ook geen α-1-antitrypsine in het bloed.

Zeldzaamheid
AAT deficiëntie is een relatief veel voorkomende stofwisselingsziekte, maar het wordt niet altijd herkend door artsen. Dit komt doordat de symptomen lijken op de symptomen van COPD en astma (zie symptomen). Ongeveer 2 op de 5.000 mensen hebben AAT deficiëntie. Wereldwijd komt AAT deficiëntie voor, maar het komt het meeste voor bij Noord-Europeanen en Iberiërs (mensen uit Spanje en Portugal). 

Symptomen

De ernst van de ziekte kan per persoon verschillen, net als de leeftijd waarop een patiënt klachten krijgt en welke klachten de patiënt krijgt. 

Leverziekten 
Wanneer α-1-antitrypsine in de levercellen verkeerd gemaakt wordt, stapelt het in de lever en kunnen patiënten leverziekte krijgen, zoals een chronische leverontsteking, levercirrose (levercellen sterven af en worden vervangen door littekenweefsel) of leverkanker. Soms hebben patiënten al vanaf hun geboorte verschijnselen van leverziekte, maar bij anderen ontstaan deze pas in hun jeugd, op latere leeftijd of helemaal niet. Als er bij baby’s al symptomen zijn, dan is het vaak leverziekten met geelzucht. 

Longziekten 
Oudere patiënten hebben een grote kans op longziekten, zoals longemfyseem. Deze longproblemen beginnen vaak als de patiënten tussen de 30 en 50 jaar zijn. Dan is de elasticiteit uit de longen en krijgen de patiënten er last van. De patiënten krijgen dan symptomen van COPD, zoals kortademigheid, hoesten, overmatige slijmproductie en een piepende ademhaling. Dit maakt het lastig te herkennen als AAT deficiëntie. Rokers hebben meer kans op longemfyseem en vaak ook in ernstigere mate. Roken versnelt namelijk de schade aan de longen. 

Andere symptomen
Naast longziekten en leverziekten kan AAT deficiëntie leiden tot ontstekingen van onderhuids vetweefsel  en ontstekingen van de bloedvaten. Veel minder voorkomende symptomen kunnen zijn: problemen met de nieren, glutenintolerantie, long-, darm-, en blaaskankers,  abnormale groei van spierweefsel en alvleesklierontsteking.

Diagnose

Als artsen denken dat iemand AAT deficiëntie heeft vanwege bepaalde ziekteverschijnselen, kunnen ze dit laten onderzoeken in het laboratorium. De eerste stap is een bloedonderzoek om de hoeveelheid α-1-antitrypsine in het bloed te bepalen. Bij de meest voorkomende vorm van AAT deficiëntie is de hoeveelheid eiwit in het bloed maar 10-15% van de hoeveelheid die het bij gezonde personen is. 

Als er weinig α-1-antitrypsine in het bloed is gevonden, zijn er twee mogelijke vervolgonderzoeken om te bevestigen dat de patiënt AAT deficiëntie heeft en om te bepalen welke vorm AAT deficiëntie de patiënt heeft. Een mogelijk vervolgonderzoek is, bepalen op welke manier α-1-antitrypsine verkeerd gevormd is. Daarnaast kunnen de onderzoekers ook met behulp van genetisch onderzoek de diagnose AAT deficiëntie bevestigen en vaststellen welke afwijking in de genen van de patiënt zit. Tussen het optreden van de symptomen en het stellen van de diagnose kan wel een paar jaar zitten. 
Prenataal onderzoek is mogelijk.

Behandeling

AAT deficiëntie is niet te genezen. Er is wel een behandeling mogelijk om de klachten van de ziekte te verminderen. Hoe de ziekte verloopt, is afhankelijk van de ernst van symptomen van de patiënten. De behandeling bestaat uit de gebruikelijke therapie voor COPD: stoppen met roken, luchtwegverwijderaars, medicijnen (corticosteroïden) tegen ontstekingen en extra zuurstof. 

Als patiënten een extreem lage waarde α-1-antitrypisine in het bloed hebben, kunnen ze enzymtherapie krijgen. Hierbij krijgen ze via een infuus (intraveneus) menselijk α-1-antitrypsine, om zo meer α-1-antitrypsine in het bloed te krijgen. Dit heeft echter alleen effect als de α-1-antitrypsine waarde erg laag is. Deze therapie zorgt er mogelijk voor dat het longweefsel minder snel beschadigt. 

Andere mogelijke behandelingen bij ernstige longklachten zijn longoperaties om het longvolume te verminderen en longtransplantaties. Als iemand op jonge leeftijd leverziekte ontwikkelt, kan hij/zij soms een levertransplantatie krijgen.

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Dat betekent dat je met de ziekte geboren wordt en er niet van kan genezen. Het betekent meestal dat de ouders van te voren niet hadden kunnen weten dat hun kind ziek zou worden. In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan “gezonde dragers” van een afwijkend gen en hebben daarnaast het normale gen (zie onder). Het normale gen zorgt ervoor dat het benodigde enzym bij hen voldoende aangemaakt wordt. Een kind met de ziekte heeft twee afwijkende genen en mist het normale gen. Daardoor wordt het enzym niet of onvoldoende aangemaakt.

Autosomaal recessief
In elke cel van het lichaam is het erfelijke materiaal in tweevoud aanwezig en is verdeeld in chromosoomparen. Er zijn per cel 22 gelijke paren (autosomen), terwijl het 23e paar geslacht-bepalend is en verschilt tussen een vrouw, die twee X chromosomen heeft en een man die een X en een Y chromosoom heeft.

Deze stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen op één van de 22 gewone chromosomen ligt. Zowel jongens als meisjes kunnen ziek zijn. Daarnaast is een afwijkend gen op een van de twee chromosomen ondergeschikt aan het normale gen op het andere chromosoom (recessief), die in dat geval compenseert. Dit gebeurt bij een “gezonde drager”, die de ziekte dus niet zal krijgen. Er zijn dus twee afwijkende genen nodig om de ziekte te krijgen. Een kind met een stofwisselingsziekte heeft van allebei zijn ouders een afwijkend gen geërfd.

Kans op ziekte
De ouders zijn niet ziek, maar zijn wel drager van het afwijkende gen. Daardoor hebben ze 25% kans (1 op 4) bij elke zwangerschap op een kind met de ziekte. Ook hebben ze 75% (3 op 4) kans op een kind dat niet ziek is. Daarvan zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn DNA.

Patiënten met AAT deficiëntie zijn soms al volwassen voor zij symptomen van de ziekte ontwikkelen (longklachten). Ze kunnen dan zelf al kinderen hebben. Of hun kinderen de ziekte ook hebben, hangt af van hun partner. Als de partner de genafwijking niet heeft, wordt geen van de kinderen ziek, maar zijn ze wel allemaal drager van het afwijkende gen. Als de partner de genafwijking wel heeft, is er 50% kans op een ziek kind en 50% kans op een gezond kind dat wel drager is.

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

α 1 antitrypsin deficiency / deficiëntie
AAT deficiëntie
Protease inhibitor 1 deficiency / deficiëntie
Anti-elastase deficiency / deficiëntie
Antitrypsin deficiency / deficiëntie
Serpina 1deficiency / deficiëntie

Meest gebruikte naam

α-1-antitrypsine

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er zijn 2 leden met ‘ α1-antitrypsine’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

03 May 2016

Autorisatie door:

dr. Peter van Hasselt en Roderick Houwen, MDL-arts

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reageren is niet mogelijk