4H-Leukodystrofie

4H-Leukodystrofie 

Inleiding

4H-leukodystrofie is een progressieve leukodystrofie van onbekende afkomst. Kenmerkend is dat er op een MRI weinig myeline te zien is rond zenuwvezels in de hersenen. Als er te weinig myeline wordt aangemaakt, noemen we dat ‘hypomyelinisatie’ (de 1e ‘H’ uit de ziektenaam). De kleine hersenen worden steeds kleiner, wat leidt tot problemen met balans, moeite met lopen en in een later stadium ook moeite met de fijne handmotoriek. Verdere kenmerken zijn het ontbreken van de puberteit door gebrek aan hormonale stimulatie vanuit de hersenen (zogenaamd hypogonadotroop hypogonadisme, de 2e en 3e ‘H’ van de naam). Ook is de tandontwikkeling vertraagd en abnormaal en kunnen er tanden ontbreken (hypodontie, de 4e ‘H’ uit de naam). Er worden steeds meer patiënten met deze kenmerken gevonden. Het betreft dan ook een ‘nieuwe’ ziekte waarover nog veel onbekend is.

Witte stof
Het 4H-syndroom behoort tot de groep ‘leukodystrofieën’. De term ‘leukodystrofie’ is een verzamelnaam voor aandoeningen die invloed hebben op de witte stof van de hersenen en het ruggenmerg. Hersenen en ruggenmerg vormen samen het centraal zenuwstelsel. De term stamt van het Griekse woorden ‘leuko’= wit, wat verwijst naar de witte stof in de hersenen, en ‘dystrofie’ = afbraak, wat verwijst naar de aantasting van de witte stof. Witte stof in de hersenen is wit door de aanwezigheid van myeline. Dit is een vetachtige substantie die als isolatielaagje rond zenuwvezels aanwezig is. Myeline is te vergelijken met de isolatie om een elektriciteitsdraad. Er zijn vele soorten leukodystrofieën geïdentificeerd, waaronder Adrenoleukodystrofie (X-gebonden), de ziekte van Canavan, de ziekte van Krabbe, Metachromatische Leukodystrofie, de ziekte van Pelizaeus-Merzbacher en de ziekte van Refsum. De oorzaken zijn verschillend, maar in alle gevallen wordt de witte stof van de hersenen beschadigd en zijn de symptomen vergelijkbaar. 

Het defecte of ontbrekende enzym
Het 4H-syndroom is een erfelijke ziekte. Het defect zit in de RNA polymerase III (POLR3), een enzym dat RNA aanmaakt, een belangrijke stap in de synthese van bij voorbeeld eiwitten.

Zeldzaamheid
Het 4H-syndroom is een zeldzame stofwisselingsziekte. Hoe zeldzaam de ziekte is, is nog onbekend. Het aantal bekende families wereldwijd groeit snel en ligt nu boven de 250.

Symptomen

Net na de geboorte en in het eerste levensjaar ontwikkelen kinderen zich motorisch (rollen, kruipen, zitten, staan, lopen) normaal of ze lopen slechts een beetje achter. De verstandelijke ontwikkeling loopt ook meestal een klein beetje achter. Na een (paar) jaar wordt het lopen wankelend en dat wordt over de jaren langzaam erger. Patiënten kunnen later ook spastisch worden en ze kunnen een beweging niet meer op juiste moment stoppen. Ze kunnen (op latere leeftijd) in een rolstoel belanden. Ook krijgen kinderen moeite met spreken, ze worden onverstaanbaar. Er zijn echter ook kinderen aan wie de eerste jaren niets te merken is en die pas later verschijnselen krijgen, bijvoorbeeld als ze 10 zijn. Epilepsie is zeldzaam bij 4H.
De helft van de patiënten heeft een groeiachterstand. Daarnaast is het doorbreken van de tanden vertraagd. Kenmerkend is vooral het laat doorbreken van de bovenste voortanden. Als eerste verschijnen er kiezen, die vervolgens weer uitvallen. Echter, soms worden de kinderen met tanden geboren. De bovenste snijtanden breken vaak pas na het 6e levensjaar door. Sommige tanden ontbreken of hebben een ongewone vorm.
Een ander typisch symptoom is het uitblijven van de puberteit.
Opvallend veel kinderen hebben een bril nodig, omdat ze bijziend zijn. Deze bijziendheid neemt over de tijd toe.
Sommige kinderen met bepaalde genetische veranderingen in POLR3A hebben een zeer vroeg beginnende ziekte met een ernstige bewegingsstoornis en zeer weinig ontwikkeling.

Diagnose

De symptomen wankelende wandelgang en de abnormale tandontwikkeling wijzen in de richting van het 4H-syndroom. MRI onderzoek is nodig om de uiteindelijke diagnose te stellen. Op de MRI zijn afwijkingen van de witte stof in de hersenen te zien; er is weinig myeline. Ook zijn de kleine hersenen kleiner dan normaal. Bij sommige patiënten is de witte stof (de myeline) vrijwel normaal. Bij een kleine groep van patiënten met bepaalde mutaties in POLR3A zijn de diepe hersenkernen (de basale kernen) aangetast.

Metabool onderzoek van bloed en urine laat geen afwijkingen zien.

De diagnose kan met een DNA test bevestigd worden. Patiënten met 4H-leukodystrofie hebben 2 mutaties in een van de volgende genen: POLR3B, POLR3A, POLR1C of POLR3K.

Behandeling

Er is momenteel geen gerichte behandeling mogelijk. De behandeling is erop gericht het leven van de patiënt zo aangenaam mogelijk te maken. Vaak heeft het kind speciaal onderwijs nodig. Fysiotherapie kan helpen de motoriek zo goed mogelijk te houden. Logopedie kan helpen de spraak zo lang mogelijk goed verstaanbaar te houden. Als de handicap erger wordt, moet de revalidatiearts ingeschakeld worden voor behandeling en het aanschaffen van aanpassingen, zoals uiteindelijk een rolstoel. Als er epilepsie is, kan het nodig zijn dat er medicijnen tegen de epilepsie worden voorgeschreven.

Erfelijkheid

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Meestal wordt dan gedacht aan ziekten of eigenschappen die al generaties ‘in de familie’ zitten, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. We proberen het zo duidelijk mogelijk uit te leggen.
Het menselijk lichaam bestaat uit allemaal cellen. In de kern van iedere cel zitten chromosomen. Chromosomen zijn strengen erfelijk materiaal. Ze bestaan uit een stof die we DNA noemen. In dit DNA zit een soort ‘code’ waarin al onze erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd. Het DNA is er in tweevoud: de ene helft van het DNA komt van de vader en de andere helft van de moeder.
Normaal gesproken zijn er per cel 22 gelijke chromosoomparen (autosomen). Het 23e paar is geslachtsbepalend en dus verschillend bij mannen en vrouwen: een vrouw heeft twee X-chromosomen en een man heeft een X- en een Y-chromosoom. Een man erft het Y-chromosoom altijd van zijn vader en het X-chromosoom van zijn moeder. Een vrouw krijgt van haar vader én van haar moeder een X-chromosoom.
Op de chromosomen zitten de genen. Een gen is een stukje DNA. Elk gen beschrijft de code van één erfelijke eigenschap. Bijvoorbeeld hoe je eruitziet en hoe je lichaam werkt. Van elk gen zijn er twee kopieën: één afkomstig van de moeder, één afkomstig van de vader. Als er een verandering in een gen optreedt, heet dat een mutatie.

Autosomaal recessief

Deze stofwisselingsziekte erft ‘autosomaal recessief’ over. Autosomaal betekent dat het afwijkende gen (het gen met de mutatie) niet op de geslachtschromosomen X en Y ligt maar op één van de 22 gewone chromosomen. Zowel jongens als meisjes kunnen de aandoening dan krijgen. Ook is de kopie van het gen op het ene chromosoom zwakker dan de functionerende kopie van het gen op het andere chromosoom. Dit wordt bedoeld met de term recessief. Dit betekent meestal dat dragers van één afwijkend gen daarvan geen klachten hebben, omdat het functionerende gen op het andere chromosoom wel werkt en de taak van de afwijkende kopie compenseert.
Om ziekteverschijnselen te hebben zijn er dus twee afwijkende genen nodig. Iemand met een autosomaal recessief overervende stofwisselingsziekte heeft van allebei de ouders precies het afwijkende deel van het gen geërfd. Bij deze persoon zorgt deze combinatie voor een genetische code die niet werkt. Hierdoor kan één enzym of eiwit niet of niet voldoende worden gemaakt. Dat zorgt voor de ziekteverschijnselen.

Dragerschap en overerving

In de meeste gevallen hebben beide ouders nergens last van. Zij zijn dan gezonde dragers. Het functionerende gen op het andere chromosoom zorgt ervoor dat het benodigde enzym of eiwit bij hen voldoende wordt aangemaakt. Elk mens heeft ongeveer 25.000 genen. En elk mens draagt meerdere recessief afwijkende genen met zich mee en merkt daar meestal helemaal niets van. De variatie in onze genen, inclusief de recessieve afwijkingen, maken ons tot unieke individuen. Maar zorgen er dus ook voor dat er ineens een kind kan worden geboren met een erfelijke aandoening. Zonder dat die aandoening in de familie voorkomt. Zonder dat ouders wisten dat zij drager waren.
Als we weten dat beide ouders drager zijn van hetzelfde afwijkende gen, weten we dat ze bij elke zwangerschap een kans van 1 op 4 (25%) hebben op een kind met de ziekte. Ook hebben ze een kans van 3 op 4 (75%) op een kind dat niet ziek is. Van de gezonde kinderen zal 2/3, net als de ouders, gezonde drager zijn. Deze kinderen kunnen de ziekte alleen doorgeven als hun partner ook dezelfde afwijking heeft op zijn of haar DNA.

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

Hypomyelination with hypogonadotropic hypogonadism and hypodontia
4H syndroom
Ataxia, hypodontia and hypomyelination (AHH)
Ataxia, delayed dentition and hypomyelination (ADDH)

Meest gebruikte naam

4H syndroom

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er is één lid met ‘4H-Leukodystrofie’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

27 July 2021

Autorisatie door:

N. Wolf

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reacties zijn gesloten.