3-Methylglutaconacidurie type 2 (Barth Syndroom)

3-Methylglutaconacidurie type 2 (Barth Syndroom) 

Inleiding

Het Barth syndroom is een zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. Met ‘stofwisseling’ wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen. Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden omgezet en hoopt zich op in de cel, terwijl het mogelijk belangrijke product te weinig of soms helemaal niet meer gevormd wordt. Deze situatie kan tot min of meer ernstige klachten leiden. Dit noemen we een stofwisselingsziekte.

Achtergrond
Het Barth syndroom dankt zijn naam aan de Nederlandse dokter Peter Barth, die in 1981 de eerste beschrijving van het ziektebeeld gaf. Hij helderde ook de genetische oorzaak van het Barth syndroom op.

Mitochondriën
Je lichaam heeft energie nodig voor alles wat je doet: voor bewegen, denken en het laten kloppen van je hart. Die energie haalt het uit eten, of uit opgeslagen voorraden in spieren en vet. Maar de koolhydraten, vetten en eiwitten die we eten en opslaan, kunnen niet direct gebruikt worden. Ze moeten eerst omgezet worden in een energievorm waar de lichaamscellen mee uit de voeten kunnen. Die stof heet ATP en wordt gemaakt in de energiecentrales van je cellen: de mitochondriën.
Bij patiënten met het Barth syndroom zijn de mitochondriën abnormaal gevormd, waardoor ze minder goed in staat zijn om energie te leveren. Dit geeft de meeste problemen bij onderdelen van het lichaam die veel energie nodig hebben, zoals de spieren en dan met name de hartspier.

Het enzymdefect bij het Barth syndroom
Patiënten met het Barth syndroom hebben een defect in het enzym cardiolipine, dat normaal gesproken zorgt voor een goede structuur van het membraan van de mitochondriën. Het tekort aan normaal cardiolipine veroorzaakt de afwijkende mitochondriën bij het Barth syndroom.

Zeldzaamheid
Het Barth syndroom is een zeldzame ziekte. Hij komt voor bij ongeveer 1 op de ??? Nieuwgeboren kinderen in Nederland. Dat betekent dat er per jaar gemiddeld ??? Kinderen worden geboren met het Barth syndroom.

Symptomen

Het ziekteverloop bij het Barth syndroom kan heel verschillend zijn. Soms is direct na de geboorte al een duidelijk hartprobleem of ernstige infectie aanwezig. Maar ook kan de ziekte zich voor het eerst uiten door een achterstand in motorische ontwikkeling. De spierzwakte is niet progressief. Vaak wisselen goede en slechte perioden elkaar af. In slechte perioden heeft het kind vaak last van misselijkheid, braken en diarree. De ziekteverschijnselen zijn vaak erger tijdens perioden van snelle groei. De meeste kinderen zijn ook stress gevoelig, zodat in perioden met veel opwinding (Sinterklaas!) de ziekteverschijnselen erger worden. De verschillende kenmerken van het Barth syndroom worden hieronder nader besproken.

Hartspierzwakte
Patiënten met het Barth syndroom hebben vaak een zwakke hartspier, ook wel cardiomyopathie genoemd. De hartspier heeft onvoldoende kracht en daarom is het hart vaak uitgezet. Om de zwakte te compenseren wordt de hartspier, vooral van de linkerkamer, dikker. Soms treden er ritmestoornissen op. Ook kan er een acute hartstilstand optreden.

Verminderde weerstand tegen infecties (neutropenie)
Patiënten hebben een tekort aan neutrofiele witte bloedlichaampjes. Hierdoor is er minder weerstand tegen bacteriële infecties en schimmels. Er kunnen regelmatig zweertjes in de mond of op de huid voorkomen. Infecties met koorts kunnen langer duren. Dit levert een extra risico op voor het hart, dat tijdens koorts harder moet werken. Er is door het tekort aan witte bloedlichaampjes een verhoogd risico op bloedvergiftiging (sepsis). Het tekort aan witte bloedlichaampjes kan chronisch zijn, maar het kan ook regelmatig terugkeren in een cyclus van ongeveer 21 dagen.

Spierzwakte
Ook de andere spieren van jongens met het Barth syndroom zijn verzwakt. Dit noemen we myopathie. Vaak spreken we van mitochondriële myopathie omdat het enzymdefect dat de ziekte veroorzaakt, gelokaliseerd is in de mitochondriën. De spieren in het lichaam zijn in het algemeen zwak en er treedt snel vermoeidheid op. De spieren rondom de schouders en de heupen zijn meestal meer aangedaan dan de spieren in de handen en voeten. Vaak is er een achterstand in de motorische ontwikkeling. Veel jongens met het Barth syndroom zijn laat met lopen. Ze hebben moeite om op te staan van de grond en moeten zich met hun handen opduwen om recht op te komen. Ook zakken ze door hun schouders als ze opgetild worden onder de oksels. Met lopen hebben ze vaak een waggelende gang.

Achterstand in lichamelijke groei
Jongens met het Barth syndroom zijn meestal erg klein voor hun leeftijd. Vaak zijn in perioden van snelle groei, zoals de zuigelingentijd en de pubertijd, alle ziekteverschijnselen erger. Toediening van groeihormonen heeft geen enkele invloed.

Diagnose

De diagnose wordt meestal gesteld in twee stappen: een screenend onderzoek en onderzoek dat specifiek gericht is op het Barth Syndroom. Bij het screenend onderzoek doet de arts allereerst lichamelijk onderzoek, een echografie van het hart, een thoraxfoto en een elektrocardiogram. Daarna volgt laboratoriumonderzoek van de bloedcellen en de urine. Bij jongens met het Barth syndroom wordt meestal een verhoogde uitscheiding in de urine vastgesteld van enkele organische zuren, vooral het 3-methyl-glutaconzuur. Dat is dus een duidelijke indicatie van de diagnose.
Met specifiek onderzoek kan de diagnose onomstotelijk worden vastgesteld. Daarbij wordt de functie van de mitochondriën onderzocht. Deze hebben bij patiënten met het Barth syndroom een afwijkende functie door een gebrek aan cadiolipine. Cardio lipine bestaat in verschillende vormen, het zogenaamde tetralineoyl-cardiolipine is de actieve vorm. Het is mogelijk bij patiënten met het Barth syndroom de fout in de vorming van tetralineoyl- cardiolipine vast te stellen, onder meer in gekweekte huidcellen (fibroblasten). Als laatste kan nog DNA onderzoek gedaan worden: een mutatieonderzoek van het G 4.5 gen, dat verantwoordelijk is voor het Barth syndroom.

Behandeling

Net als alle stofwisselingsziekten is het Barth syndroom niet te genezen. Er is ook geen specifieke behandeling voorhanden, maar wel kunnen de symptomen zo goed mogelijk bestreden worden.
De hartafwijking kan behandeld worden met de gebruikelijke medicijnen bij hartfalen, zoals digoxine (Lanoxine), Captopril en plastabletten (zoals Lasix). Bij ritmestoornissen is de plaatsing van een pacemaker een mogelijkheid. In het buitenland is inmiddels ervaring opgedaan met harttransplantatie bij kinderen met Barth syndroom. De resultaten zijn in het algemeen goed.
Infecties kunnen bestreden worden en voorkomen worden met antibiotica. Goede controle van de hartfunctie tijdens hoge of langdurige koorts is belangrijk. De jaarlijkse griepprik kan griep met complicaties voorkomen. Neupogen, een stof die de vermeerdering van neutrofiele witte bloedcellen bevordert, blijkt bij Barth syndroom gunstige resultaten te hebben. L-Carnitine kan een positieve invloed hebben op de spierfunctie.
Fysiotherapie is belangrijk voor de stimulering van de ontwikkeling van motorische vaardigheden en voor het op peil houden van conditie op een veilige manier. Begeleiding door een revalidatiecentrum is belangrijk voor een zo goed mogelijk functioneren in het dagelijkse leven van de patiënten en hun naaste familie. Bij vragen over erfelijkheid zijn de klinisch genetische centra in Nederland de aangewezen adviseurs.

Erfelijkheid

Stofwisselingsziekten zijn erfelijke ziekten. Dat betekent dat je met de ziekte geboren wordt en er niet van kan genezen. Het betekent meestal dat de ouders van te voren niet hadden kunnen weten dat hun kind ziek zou worden. Bij X-gebonden recessieve overerving bevindt de afwijking zich op het X-chromosoom van de moeder. In de meeste gevallen heeft zij nergens last van. Zij is dan een “gezonde drager” van een afwijkend gen en ze heeft daarnaast het normale gen (zie onder). Het normale gen zorgt ervoor dat het benodigde enzym bij haar voldoende aangemaakt wordt. Een kind (jongen) met de ziekte heeft het afwijkende gen op zijn X-chromosoom. Er is voor die ziekte geen gen op zijn Y-chromosoom dat compenseert. Daardoor wordt het enzym niet of onvoldoende aangemaakt.

X-gebonden recessief
In elke cel van het lichaam is het erfelijke materiaal in tweevoud aanwezig en is verdeeld in  chromosoomparen. Er zijn per cel 22 gelijke paren (autosomen), terwijl het 23e paar geslacht-bepalend is en verschilt tussen een vrouw, die twee X chromosomen heeft en een man die een X en een Y chromosoom heeft.

Deze stofwisselingsziekte erft ‘geslachtsgebonden (X-gebonden) recessief’ over.  Geslachtsgebonden betekent dat het afwijkende gen op een geslachtschromosoom ligt, vrijwel altijd op het X-chromosoom. Deze ziekten komen vrijwel alleen bij jongens en mannen voor, omdat zij maar één X-chromosoom hebben. Als hun moeder op één van haar X-chromosomen een afwijkend gen heeft, is zij meestal zelf niet ziek, want op haar andere X-chromosoom heeft ze nog het normale gen. Het normale gen zorgt ervoor dat het benodigde enzym bij haar voldoende aangemaakt wordt. Haar zonen hebben 50% kans om de ziekte te erven. Haar dochters zijn gezond, maar hebben 50% kans dat ze draagster zijn van het afwijkende gen. Zij kunnen de ziekte ook weer aan hun zonen doorgeven. Ook hier is het vaak onbekend dat vrouwen draagster zijn, totdat er een zoon met een stofwisselingsziekte wordt geboren. De zieke man geeft alleen het afwijkende gen door aan zijn dochters, die alle draagster zullen zijn. De kans dat de zieke man de ziekte aan zijn kinderen doorgeeft is heel erg klein, omdat zijn partner dan drager moet zijn van dezelfde genafwijking. Wanneer de partner geen familie is, is de kans dat zij dezelfde genafwijking heeft, zeer klein.

Sommige patiënten met het Barth syndroom worden ‘normaal’ volwassen en kunnen zelf kinderen krijgen. Wanneer een man met het Barth syndroom kinderen krijgt, hangt het van zijn vrouw af of de kinderen ook ziek zullen zijn. Wanneer de vrouw geen draagster is, zullen alle kinderen gezond zijn. Wel zijn alle dochters draagster van het afwijkende gen.
Als de vrouw wel draagster is, is er voor alle kinderen een kans van 50% om de ziekte te krijgen. Wanneer de partner geen familie is, is de kans dat zij dezelfde genafwijking heeft, echter zeer klein.

Overige informatie

Omim nummer

Synoniemen:

3-Methylglutaconacidurie type 2
Barth Syndroom
MGA, type 2

Meest gebruikte naam

Barth syndroom (3-Methylglutaconacidurie type 2)

Kenniskaarten:

Informatie voor kinderen:

stripalgemeen

Stripboek

Zijn er leden met deze ziekte?

Er zijn 2 leden met ‘3-Methylglutaconacidurie type 2 (Barth Syndroom)’ bij ons aangemeld.

Datum laatst bewerkt:

11 October 2012

Autorisatie door:

Dr. T.J. de Koning

Disclaimer

Aan de ziekte-informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie is mogelijk niet op alle punten actueel, omdat de ontwikkelingen en inzichten snel kunnen gaan. VKS tracht de ziekte-informatie zo goed mogelijk actueel te houden.
Ervaringsverhalen zijn persoonlijke verhalen. De beschrijving van de ziekte en symptomen gelden voor deze persoon. Zoals voor veel erfelijke ziekten geldt, is er een behoorlijke variatie in ernst onder de patiënten. U kunt uit dit verhaal dan ook geen algemene conclusies trekken. Het verhaal geeft slechts een beeld hoe het leven met deze stofwisselingsziekte in de praktijk eruit kan zien.

Heeft u hulp nodig bij het inloggen?

Vond u deze informatie nuttig? Help ons dan om dit in stand te houden.

Reageren is niet mogelijk