Roos Oudheusden

In ons huis zijn nog veel tastbare sporen van onze dochter Roos. Haar wandelwagentje in de gang, haar bedje in de slaapkamer, de box waarin ze nooit wilde liggen. Haar speeltjes en knuffeltjes liggen nog op dezelfde plekken, her en der verspreid in ons huis. Wij hechten aan die sporen, aan die tastbare dingen die haar bestaan nog kunnen bevestigen.
 
Voor ons is de wereld op 15 december 2002 definitief veranderd. Op die dag overleed ons dochtertje en zusje Roos aan de gevolgen van de stofwisselingsziekte cdg. Precies elf dagen nadat onderzoeken in de VU hadden uitgewezenRoosOu dat het, ondanks de cdg, prima met haar ging. De broers van Roos maakten van dichtbij mee hoe hun zusje de strijd verloor tegen een ziekte waar geen enkele arts op de wereld raad mee weet. Wij als ouders moesten toezien hoe ons kind, ons alles, als los zand door onze vingers glipte. We stonden erbij en keken er naar. Volkomen machteloos. 
Na een week tussen wanhoop en vrees, kwam de tijd dat we moesten loslaten, loslaten uit liefde. We hadden zo veel gevraagd en zij had zo veel gegeven.
In het ziekenhuis namen we voor de eerste keer afscheid. We wasten haar, kleedden haar aan, kamden haar haren. De jongens hielden haar nog even vast, gaven een knuffel en voelden dat haar hartje echt niet meer klopte.
 
We hebben Roos opgebaard in haar eigen kamertje. Dat vonden we vanzelfsprekend: ze hoorde en hoort immers bij ons. Meerdere keren per dag liepen we het kamertje binnen. Om even te kijken en te praten. Op de dag van de crematie namen we voor de tweede keer afscheid. “Het is Roos niet meer, het is alleen haar lijfje nog maar”, merkte de jongste de avond van tevoren op. We moesten de laatste stap zetten. In kring van familie en goede vrienden namen we op een heel eigen manier afscheid van Roos.
 
Na de dood van Roos lijken we van de buitenkant weer op dat gezin van vier. Ieder zit weer op zijn eigen plek aan tafel. Maar vijf min één is voor ons nooit meer vier. De dood van Roos heeft ons voorgoed veranderd. In negatieve en positieve zin. Onze jongens kennen al vroeg de betekenis van dood, weten dat niet elk kind gezond wordt geboren en dat de wereld niet maakbaar is. Ze missen Roos enorm maar vinden troost in hun overtuiging dat Roos er toch nog is, ook al zien ze haar niet. 
Kinderen hebben het vermogen om op een speciale manier te kijken naar vreselijke dingen. De ziekenhuisperiode hebben wij als ouders als afschuwelijk ervaren. Al die toeters en bellen rondom ons kleine kind. Maar onze oudste zoon Pim ziet dat heel anders. Hij zei: “Door al die apparaten kon ik Roos tenminste nog langer levend zien. En in dat ziekenhuis gaf ze me nog een knipoog”. Het plaatst het ziekenhuis in een heel ander perspectief. En zijn beleving is even waar als mijn beleving van toeters en bellen. Onze jongste zoon Tom speurt elke avond vol enthousiasme de hemel af. Met helder weer heeft hij een topavond, dan kan hij bijna niet kiezen in welke ster hij Roos terugziet.
 
Rondom de dood kun je een hoop van kinderen leren. Zij hebben niet op elke vraag een antwoord nodig om verder te kunnen leven. Zij accepteren de dood, volgen in alles hun gevoel en vinden troost in dat wat ze willen geloven. Wij hebben van hen geleerd op te houden met zoeken naar Roos want ze is er. We voelen haar. En we zien haar dagelijks terug in alles wat levensvreugde uitstraalt en wat moed en kracht in zich draagt.

Comments are closed